De onderwijzer: van amateur tot professional..

Onderwijs in Nederland van 1500 – 1700

In de 16e en 17e eeuw hebben tal van generaties onderwijs ontvangen in de scholen. In die periode zijn de scholen aan veel veranderingen onderhevig geweest. We denken hierbij aan richting, inrichting, methoden enz. In de eerste decennia van de 16 e eeuw was het onderwijs nog geheel geschoeid op middeleeuwse leest. Reeds vóór de Reformatie waren er veel schoolmeesters die niet tot de geestelijke stand behoorden. Weliswaar vervulden veel onderwijzers in de dorpen een kerkelijke functie, zoals voorlezer, voorzanger en koster, maar daarvoor was toen geen speciale opleiding nodig. Wel was het een functie, die vaak van vader op zoon overging; alleen als de oud geworden of overleden dorpsschoolmeester geen zoon als geschikte opvolger had, kwam er iemand van buitenaf. Er kwamen ook schoolmeesters van buiten, die dit werk nooit eerder gedaan hadden en die er ook nog een ander beroep bij deden. Soms waren ze heel wat minder in tel dan de boeren wier kinderen ze moesten lesgeven. Dat in 1593 in Utrecht gepleit werd voor een jaarlijks minimumloon van 50 gulden ter voldoening aan de "schamele noottruft" laat zien, hoe mager het salaris kon zijn. Neveninkomsten waren onmisbaar. Valcooch noemt in zijn boek de volgende ambachten, die goed met onderwijs te verenigen waren, zoals chirurgijn, schilder, schoenlapper, klompen-maker en boekbinder. In de eerste helft van de 17e eeuw kwamen die combinaties vaak voor, later blijken schoolmeesters dikwijls meer administratieve functies bekleed te hebben, zoals secretaris of bode van het gerecht, ook wel landmeter of zelfs notaris. De kerkelijke overheden voelden eigenlijk niets voor dergelijke combinaties, maar ze konden er weinig tegen doen. Alleen een combinatie met de functie van koster en voorzanger werd door de kerk van harte goedgekeurd en bevorderd. De door Valcooch gegeven opsomming van beroepen hierboven laat zien, hoe de schoolmeesters rond 1600 vaak voortkwamen uit de kring van kleine ambachtslieden. Voor veel beroepen was een behoorlijke dosis spierkracht vereist, maar schoolmeester vond men een licht beroep. In 1803 overleed op 26-jarige leeftijd de veelbelovende schoolmeester Jan Brunt. Zijn zwakke gezondheid was de reden dat men vond dat hij maar schoolmeester moest worden.  

Ondanks alle inspanning in dorpen en steden om goede schoolmeesters te benoemen, kwam het echter ook voor, dat er gegronde klachten waren over de onbekwaamheid en de onkunde der onderwijzers. Het kwam immers voor, dat knechten, die nergens meer geschikt voor waren, met het schoolambt werden begunstigd. Maar aan de andere kant is het ook waar dat in de 17e eeuw vele honderden knappe onderwijzers op de scholen aan het werk waren. Vele onderwijzers muntten niet alleen uit in de schrijfkunst, maar ook op het gebied van de rekenkunst. Bekend waren de rekenboeken “Cijfferinge” van Willem Bartjens(1569-1638.), die in 1636 verschenen. Vooral na de herroeping van het Edict van Nantes kwamen vele bekwame Franse school-meesters in het midden van de 17e eeuw naar de Hollandse steden. Hun onderwijs aan de Franse scholen stond gewoonlijk op hoog peil. Men was nog niet gekomen tot de algemene volksschool, zoals Comenius die bepleitte. Toch was het regel, dat de onderwijzers behalve de kinderen van de meer gegoede stand, ook arme kinderen op hun scholen moesten toelaten. 

De lees- en schrijfscholen in de 18e eeuw

Deze scholen werden ook wel Hollandse scholen genoemd, maar de naam Duitse scholen kwam ook voor. Het waren de lagere scholen, waar ’t onderwijs in lezen, schrijven en wat rekenen werd gegeven. Omdat er nog geen scheiding was tussen school en kerk, werd de school betaald door de gemeente en het personeel werd benoemd door de Kerkenraad der Hervormde Kerk (Nederduits Gereformeerde Kerk). Gewoonlijk waren de kinderen in drie groepen verdeeld: een leesklas: de jongste leerlingen, die alleen leerden lezen; de lees- en schrijfklas en de lees-, schrijf- en rekenklas.  Er moest schoolgeld worden betaald door de ouders. Als voorbeeld noemen we de situatie in Zevenaar. Daar stelde in 1793 de Kerkenraad het volgende tarief vast: voor een kind dat alleen leerde spellen en lezen, moest drie Hollandse stuivers betaald worden; voor een kind dat leerde lezen èn schrijven: vier stuivers; voor een kind dat daarnaast ook leerde rekenen: zes stuivers. Verhoging naar een volgende klas betekende voor de ouders en voor de meester meer schoolgeld. De diaconie betaalde het schoolgeld van de arme kinderen en de weeskinderen. De taak van de schoolmeester was beperkt. Naast lezen en schrijven moest hij de jeugd de Bijbelse Geschiedenis, het Onze Vader, de Tien Geboden en onderdelen van de Heidelbergse Catechismus bijbrengen. Er werd geschreven met inkt en een ganzenpen. Als kinderen leerden schrijven, betekende dat voor de ouders een extra uitgave: het schoolgeld werd hoger, omdat de meester de inkt, het papier en het versnijden van de pennen vergoed moest krijgen. De kinderen zaten aan tafels op rechte banken zonder leuning of ze zaten op de grond. De kinderen liepen door het lokaal, zowel om zich door de meester te laten overhoren, als om hulp te vragen aan een oudere leerling. Elk kind leerde voor zichzelf en in zijn eigen tempo en dat gebeurde hardop. De klassen waren groot. Er zijn verhalen bekend van 100 kinderen. De orde was streng.

Het kwam ook voor, dat schoolmeesters zich slechts gedroegen door plichtsverzuim en overmatig drankgebruik en daardoor dronken voor de klas stonden. Als de schoolmeester zijn gedrag niet verbeterde, volgde ontslag.

Bij benoeming van een nieuwe schoolmeester ging het niet alleen in ons land, maar ook elders, nog zonderling toe. Wel bepaalden de meeste reglementen, dat aan elke benoeming een examen vooraf moest gaan, maar daaraan hield men zich alleen in de grotere plaatsen. Na een selectie uit de sollicitanten werden er gesprekken gehouden met de kandidaten. Vervolgens werd in een vergelijkend examen onderzocht, of de sollicitant een goed penkunstenaar was, heel luid psalmen kon zingen èn moeilijke rekenkundige vraagstukken kon oplossen. Bovendien moest hij dan nog voor de Classis verschijnen, om te bewijzen, dat hij lidmaat was van de Gereformeerde Kerk en zuiver in de leer. Op het platteland, waar het benoemingsrecht behoorde aan de heer van het kasteel, hield men daar minder rekening mee en werd vaak een afgedankte koetsier of tuinman met het onderwijs belast. Het salaris, dat de onderwijzer ontving, was heel gering. Het bestond meestal alleen uit de schoolgelden van de kinderen. Vandaar, dat men de onderwijzer allerlei baantjes opdroeg om zijn inkomen enigszins op peil te brengen. Meestal was de schoolmeester ook koster, klokkenluider, voorzanger in de kerk, voorlezer in de kerk, schoonmaker, doodgraver en doodbidder.

 

 

                  De meester diende ook het versnijden van pennen (de ganzeveer)  machtig te zijn.

Onderstaande advertentie verscheen in de Amsterdamsche Saturdaegse Courant van 2 december 1726:

“Werd genotificeert, dat de schoolmeester, koster en voorzangersplaats, van den Dorpe en Heerlijkheijd van Strijen, gelegen 3 uuren  van Dordregt, vacant is: die genegen is en bequaamheijd heeft, hetzelve op een tractement van 180 gulden, en andere emolumenten met vrij huijshuur, ’t aenvaerden, boven het schoolgeld van menigvuldige kinderen, kan zig addresseeren aen den Geregten aldaer: Het Schoolhuijs is meede zeer bequam voor het houden van kostkinderen.”

Het salaris, of zoals men dat toen noemde, het “tractement en emolumenten” werd betaald door:



Uit bovenstaande opsomming blijkt duidelijk, welk een dominerende rol de kerk in het bonderwijsbestel vervulde.
Dat dit ook nog het geval was in het begin van de 19e eeuw, getuige de onderstaande advertentie uit 1809:

"Monster. Bloeimaand 1809. Door het overlijden van D. van der Burgh, zijn de posten van Schoolonderwijzer, Voorzanger, Koster, Klokkenluider, Doodbidder en Doodgraver vacant. De School behoort wel tot den middelsten rang, doch daar de zamenvoeging der opgemelde posten opnieuw bepaald is, zal hier een inkomen zijn van f 800,= 's jaars, vrije woning en school. Het Gemeentebestuur, in vereeniging met den Kerkenraad der Hervormde Gemeente, verlangt daarom, dat zich Sollicitanten van hoogeren dan den derden rang, aanmelden."

In Sliedrecht worden de bijbaantjes voor de schoolmeester in de 18e eeuw als volgt beschreven:

1. Er werden 's zondags twee kerkdiensten gehouden en wel om 9 uur en om half 2 of 2 uur. Dit laatste was het geval als 's morgens het Heilig Avondmaal was bediend of de predikant eerst op een andere plaats had moeten preken.
De koster-schoolmeester diende om 7 uur en om 8 uur de klok te luiden. Om kwart voor negen begon de meester te lezen en om negen uur precies liet hij de klok driemaal, met korte tussenpauzen, kleppen. Hij gaf daarbij de psalm op en liet deze zingen. Dit ritueel herhaalde zich in de middaguren. Aan de pastorie moest vooraf vermeld worden wat er gelezen zou worden. De meester mocht niet verzuimen en moest bij de kerkdiensten in het zwart gekleed zijn. Overtreding van genoemde kwam hem te staan op een boete van f 15, = ten behoeve van de kerk.
2. De sleutels van de kerk mocht de koster nooit afgeven op straffe van een boete van f 6, =. Herhaling van het feit kostte hem zelfs f 12, =.
3. Na de bediening van het Avondmaal ging van de korsten, het overblijvende brood en de wijn de helft naar de predikant en de andere helft was voor de koster.
4. De klok moest geregeld worden opgewonden. Dit gebeurde 's morgens om 8 uur. De klok werd geluid 's middags om 12 uur en 's avonds om 8 uur. Indien nodig werd de klok na zonsondergang verzet.
5. Als de schout het nodig oordeelde moesten er door de koster warme stoven worden gezet op de plaatsen van de voorname ingezetenen, zoals de schout, de schepenen en de kerkenraad.

Als doodgraver was de taak van de schoolmeester ook nauwkeurig omschreven. Bij elke begrafenis van een volwassene werd een uur de klok geluid en bij die van een kind een half uur.
Lees in dit verband ook de pagina over "De geschiedenis van het onderwijs in Maasland" op deze site.

De opleiding van de onderwijzer in de 18e en 19e eeuw.

12-16 jarige jongens, die schoolmeester wilden worden, konden zich in het onderwijzersvak bekwamen door bij hun vader of een andere schoolmeester in de school te helpen. Ze begonnen hun werk met het ophalen van boeken en schriften en met het versnijden van pennen. Ze keken de kunst af van de meester en daarnaast was er zelfstudie o.l.v. de schoolmeester. Het kwam veel voor dat een onderwijzer één of meer jongens in zijn huis in de kost nam, die het op deze manier tot onderwijzer wisten te brengen. Nog tot omstreeks het midden van de 19e eeuw had 90% van de onderwijzers zich langs deze weg een plaats voor de klas weten te verwerven.

Hieronder ziet u een advertentie uit 1866, waarin is gesteld dat het de hoofdonderwijzer is toegestaan kostleerlingen aan huis te houden.

 

Bevoegdheidseisen voor onderwijzers in de onderwijswet van 1806

In de onderwijswet van 1806 werd van de onderwijzers verlangd dat zij een bewijs hadden van goed zedelijk gedrag; een bewijs van de bekwaamheid en een bewijs van een aanstelling aan een school. Onderwijzers moesten een onderwijsakte halen, De examens werden afgenomen door de schoolopziener of door de onderwijscommissie van de Nederlandse departementen of provincies.

Art.13. Niemand zal binnen de Bataafsche Republiek eenig LagerOnderwijs geven, dan die de vier navolgende vereischten bezit: Vooreerst: Dat hij zijn goed burgerlijk en zedelijk gedrag door één of meer voldoende Getuigschriften kan bewijzen. Ten tweede : Dat hij de Algemeene Toelating tot het geven van Onderwijs erlangd hebbe. Ten derde: Dat hij, na en boven deze Algemeene Toelating, eene Aanstelling of Admissie tot deze of gene School , of voor deze of gene Plaats, wettiglijk verkregen hebbe. Ten vierde : Dat hij zich , na liet verkrijgen eener Speciale Beroeping, Aanstelling of Admissie, met de Bewijsstukken, daartoe betrekkelijk, bij den Schoolopziener van het District of de Plaatselijke Schoolcommissie in persoon of schriftelijk vervoegd hebbe. Zijnde hieronder niet begrepen de Onderwijzers , welke in particuliere huizen inwonen, en aan kinderen, tot dat huis behoorende, onderwijs geven."

Kostleerlingen

 

Er werd onderscheid gemaakt in vier rangen met de volgende omschrijvingen:

De vierde of laagste Rang bestaat uit dezulke, die in het Lezen, Schrijven en de beginselen der Rekenkunde, de regel van Drieën ingesloten, tamelijk bedreven zijn, en tot het geven van onderwijs, eenigen aanleg hebben.

De derde uit dezulke, die, in het Lezen, Schrijven en Rekenen, zoo met geheele als gebroken getallen, wel ervaren, in derzelver toepassing op zaken van het dagelijksch leven eenige vaardigheid, van de beginselen der Nederlandsche Taal eenige kennis, en van eene goede manier van onderwijzen eenig begrip hebben.

De tweede uit dezulke, die, zoo in het gewoon als kunstmatig Lezen regt bedreven zijn, eene goede nette hand Schrijven, de Rekenkunde, zoo, Theoretisch als Praktisch, regt verstaan, de voornaamste regelen der Nederduitsche Taal, benevens derzelver gronden kennen, van de Aardrijks-en Geschiedkunde eenig begrip hebben, en eene genoegzame bekwaamheid en geoefendheid bezitten in het geven van een oordeelkundig onderwijs.

De eerste of hoogste uit dezulke, die - boven en behalve eene grondige ervarenheid in onderscheiden vakken van het Lager Onderwijs, en inzonderheid in de grondbeginselen en beoefening eenèr oordeelkundige Leerwijze - in de Aardrijks- en Geschiedkunde goede bedrevenheid bezitten, met de Natuur- en Wiskunde wel bekend zijn, en in beschaafdheid van verstand uitmunten.

In 1814 werd een vergelijkend examen bij iedere schoolvacature verplicht gesteld. Solliciterende onderwijzers hoorden een vergelijkend examen af te leggen in rekenkunst, taalkundig ontleden, opstel schrijven en schoonschrift. De beste kwam in aanmerking voor een aanstelling. Het proces-verbaal van zo’n vergelijkend examen waarin tevens een voordracht was opgenomen, moest ondertekend worden door de schoolopziener van het district waarin de vacature voorkwam en door degene (n), die tot benoeming gerechtigd waren. Dit proces-verbaal ging dan via de gouverneur van de provincie naar het departement in Den Haag, dat, voordat de onderwijzer in functie kon treden daartoe toestemming moest geven. Alle vacatures voor lagere scholen moesten opgenomen worden in de Nieuwe Bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding. Als dit niet gebeurde zou het departement een voorstel voor benoeming niet honoreren. Deze eisen waren van kracht tot de invoering van een nieuwe onderwijswet in 1857.
Akten, in Groningen verleend in de periode 1816 - 1858

      1e rang       12
      2e rang    439
      3e rang    704
      4e rang    762

In de onderwijswet van 1857 verdwijnen de rangen en wordt er alleen gesproken over een hoofdonderwijzer en een hulponderwijzer.

De geschiedenis van kweek- en normaalscholen

De toestand van het lager onderwijs aan de vooravond van de 19e eeuw was ronduit slecht. De doorgaans nauwelijks opgeleide onderwijzers moesten hun armoedig loon aanvullen met bijbaantjes als koster, klokkenluider, doodgraver, voorzanger in de kerk of door combinaties van dit soort werkzaamheden. In de school dreven zij vaak een nering door de verkoop van snoep, als pen geslepen ganzenveren en leerboekjes. De onderwijsmethode was hoofdelijk. Bij hoofdelijk onderwijs is slechts één leerling betrokken, ook al zat hij met vele anderen in één lokaal. Uit de beschrijvingen van tijdgenoten blijkt, dat het onderwijs vaak werd gegeven zonder uitleg, dat leerboeken vol met fouten zaten en het denken niet gestimuleerd werd. De oorzaak hiervan was de slecht opgeleide onderwijzers die zelf nauwelijks konden lezen en spellen, zelf geen behoorlijke brief konden schrijven. De opleiding vond uitsluitend in de praktijk plaats. En dat betekende in feite een gebrekkige of, in principe, helemaal geen opleiding. De zorg betrof vooral de armenscholen; de burgerscholen voor de gegoede stand konden schoolgeld heffen en hadden een beter niveau. 

In de wetten van 1801, 1803 en 1806 werd over de opleiding nog geen woord gerept; wie onderwijzer wilde worden, werd in de leer gedaan bij een schoolmeester, leerde daar de handgrepen, die bij het werk te pas kwamen en verwierf zich de kennis, die nodig was voor het examen. Toch leefde toen reeds het denkbeeld, dat wie goed onderwijs wil, in de eerste plaats moet zorgen voor een degelijke opleiding der leerkrachten. De wet van 1857 voorzag voor het eerst in kweek- en normaalscholen.

De roep om een betere opleiding werd gehoord, met name door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. De Verlichting werkte door in de onderwijsbeweging, die bekendheid kreeg als het Filantropinisme. Hun leuze was: 'kennis is deugd'. Het werk van de Filantropijnen heeft voor Nederland belang-rijke gevolgen gehad, met name via de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, opgericht in 1784. De stichter was Jan Nieuwenhuyzen. Hoofddoel van 't Nut  was vergroting van de volksontwikkeling door onderwijs en daardoor verbetering van volkswelvaart en volks-welzijn. In het eerste officiële stuk van 1784 spreken de oprichters met compassie over 'de staat des gemenen Mans' en over diens gebrek aan kennis van kunsten en wetenschappen en nadelige gevolgen daarvan voor de opvoeding van de kinderen. Dit bewoog de oprichters allerlei middelen te bedenken om kennis en deugd aan te kweken. Tot de doelstelling behoorde dan ook 'den gemenen Man' zoveel mogelijk in de Zedekunde, Huishoudkunde, Vaderlandse Geschiedenissen, Staatsgesteldheid onzes Vaderlands, Landbouw, Levensorde, en alles wat ter bevordering van nutte konsten en wetenschappen, zonder onderscheid, kan dienen, te onderrichten.'  't Nut wil zich toeleggen op de verbetering van scholen. In 1795, in het jaar van de omwenteling en het begin van de Bataafse Republiek werd de naam van 't Nut gewijzigd in 'Bataafse Maatschappij tot Nut van 't Algemeen'.

De wet van 1857 voorzag voor het eerst in kweek- en normaalscholen. Na 1857 werden er tal van kweekscholen voor onderwijzers gesticht. De Verening tot Nut van ’t Algemeen stichtte in de 19e eeuw in Amsterdam, Groningen en Haarlem kweekscholen voor onderwijzers, die later door Rijk of Gemeente overgenomen werden. In Arnhem kwam in 1860 een kweekschool voor onderwijzeressen. De oudste kweekschool in Nederland was de Haarlemse Kweekschool, die onder leiding stond van de bekende P.J. Prinsen.

 In 1876 werd te Amsterdam een Gemeentelijke kweekschool voor onderwijzers en onderwijzeressen opgericht (met subsidie van het Rijk), waarvan het directeurschap werd opgedragen aan H. Bouman, hoofdonderwijzer te Beerta. In 1877 verrezen Rijkskweek-scholen te Deventer en Middelburg, in 1878 die te Nijmegen. De Rijkskweekschool te Groningen (1861) bloeide al spoedig onder haar eerste directeur, de bekende pedagoog B. Brugsma. 

We nemen hieronder een viertal kweekscholen nader onder de loupe:

1. Haarlem (1795)

In 1795 werd door 't Nut  in Haarlem de eerste kweekschool opgericht. De school begon met 8 jongens tussen twaalf en achttien jaar. Johan te Veltrup was de eerste directeur. De opleiding was   'om niet'. Na het overlijden van de directeur Joh. te Veltrup werd de kweekschool in 1801 gecombineerd met een nieuwe lagere school, tevens leerschool voor de aanstaande onderwijzers. Directeur werd P.J. Prinsen, die door zijn beleid de Haarlemse kweekschool beroemd zou maken. In 1816 stichtte het Rijk de eerste Rijkskweekschool van ons land in Haarlem met dezelfde Prinsen als directeur.  Prinsen zocht naar uitgangspunten voor zijn visie op het onderwijs en bestudeerde daarvoor ijverig de werken van de Zwitserse Pestalozzi (1746-1827), die bovendien onder zijn toezicht en deels  door hemzelf in het Nederlands werden vertaald. Prinsen kon zich uitstekend vinden in de elementen die Pestalozzi als uitgangspunten voor het onderwijs zag:
  

  1. Vorm: alle kennis berust op aanschouwing.                                                                                  2. Woord: benoeming van het aanschouwde                                                                                    3. Getal: begripsontwikkeling van hoeveelheden op basis van aanschouwing.

Een bekende leerling van de Haarlemse kweekschool was Theo Thijssen. Op 28 april 1898 behaalde Thijssen zijn onderwijzersakte aan de Rijkskweekschool te Haarlem. In de eerste helft van de 19e eeuw liet de overheid de opleiding van onderwijzers voor het lager onderwijs praktisch geheel over aan het particulier initiatief. De Haarlemse Rijkskweek-school was een uitzondering op die regel. Zij was van 1816 - 1860 de enige van rijkswege bekostigde Rijkskweekschool in (Noord)-Nederland. Onder invloed van de onderwijswet van 1857 kregen naast Haarlem ook Groningen en 's-Hertogenbosch een Rijkskweekschool . Hiermee verloor Haarlem haar exclusieve positie en voor een deel ook haar landelijke functie, maar zij zou zich nadrukkelijk blijven profileren.

2. Groningen (1797)

In 1797 werd in opdracht van het Departement Groningen der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen de Departementskweekschool in Groningen opgericht door een commissie van enkele zijner leden, onder wie de bekende schoolopzieners Gyot en prof. van Eerde. Het hoofdaccent van de kweekschool viel op de lagere school als leerschool en de opleiding van kwekelingen was er als nevendoel mee verbonden. De onderwijzers waren tegelijk schoolonderwijzer en kweekschoolleraar. De praktische vorming ontvingen de kwekelingen gedurende de hele dag in de school; hun theoretische ontwikkeling had vóór en na schooltijd plaats of op de vrije middagen. De hele onderneming begon in 1797 in de Vissersstraat, waar men een dubbel huis huurde, waarin twee lokaliteiten wrerden ingericht. Het hoofd der school werd Johannes Kuiper Hzn. Hij was een bekwaam onderwijzer, die de school in de beginperiode van 1797 tot 1804 heeft geleid. Onder hem groeide de school en werd ze een modelschool, die vele leerlingen telde. In een bericht uit die tijd wordt vermeld dat er les werd gegeven in de volgende vakken: geschiedenis, aardrijkskunde, natuurlijke historie, tekenen, zedeleer, lezen (klankmethode), denkend lezen, hoofdrekenen en handenarbeid (breien, naaien, nettenknopen). Het tweede hoofd der school was Hendrik Stoker, die de school leidde van 1804 tot 1814.  In 1812, na 15 jaar kweekschoolonderwijs, hadden 28 kwekelingen hun opleiding in Groningen genoten. In 1815 verhuisde de departementale kweekschool naar Euvelgunne, een gehucht langs de weg tussen Damsterdiep en Winschoterdiep. Daar viel aan Berend Brugsma de grote eer te beurt, dat hij belast werd met het onderwijs aan kwekelingen vanwege het Departement Groningen der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Brugsma was sinds 1814 hoofd van de school in Euvelgunne en in 1815 werd zijn schooltje verheven tot departements-kweekschool. Het onderwijstalent van Brugsma trok leerlingen uit omliggende plaatsen en zelfs uit de stad Groningen naar het nederige gehucht. Brugsma werd dus op 17-jarige leeftijd kweekschool-directeur. Er wordt verteld dat hij met klompen voor de klas stond.
Reeds in 1816 verhuisde Brugsma met zijn school naar Groningen, waar hij een eigen school inrichtte aan het Poststraatje. De nieuwe inrichting was geen leer- en kweekschool meer, waarin de leerlingen evenzeer hoofdzaak waren als de kwekelingen, maar ze was nu een kweekschool, waartoe ook leerlingen toegang hadden, maar alleen opdat de kwekelingen praktisch gevormd konden worden. Kweekschool en leerschool hadden nu elk hun eigen functie. In 1817 kreeg de school Rijkssubsidie; het jaar ervoor was de eerste Rijks-kweekschool te Haarlem geopend. Brugsma heeft de school tot grote bloei gebracht.
Op 1 augustus 1861 werd de departementskweekschool opgeheven. Het was in feite geen opheffing, maar tegelijk de opening van een nieuwe Rijkskweekschool.
Berend Brugsma werd benoemd tot directeur van de Rijkskweekschool. Bekende leraren aan de Rijkskweekschool te Groningen waren: B. Brugsma, R.G. Rijkens, R.R. Rijkens, H. Scheepstra en L. Leopold.  Deze mensen hebben met elkaar vele onderwijsmethoden geschreven,
De directeuren van de Rijkskweekscholen in Haarlem en Groningen, resp. P.J. Prinsen en B. Brugsma hebben veel betekend voor de ontwikkeling van het lager onderwijs in de 19e eeuw. Beiden waren zij volgelingen van Pestalozzi en hebben er alles aan gedaan zijn ideeën uit te dragen en vorm te geven.
 

3. Middelburg (1876)

Wie schoolmeester wilde worden in Zeeland kon terecht op de Rijkskweekschool in Middelburg, die sinds 1876 samen met een zgn. Rijksleerschool aan de Lange Noordstraat gevestigd werd.
Het gebouw dat betrokken werd was een 18e eeuws patriciërs-huis, dat gebouwd was in een sobere Lodewijk de XVI stijl. In feite waren het drie woningen, die samen tot één geheel gemaakt worden. Achter de school verscheen een nieuwe Rijksleerschool,een gewone Lagere School, waar de aanko-mende schoolmeesters zich in hun taak konden bekwamen.


                             1889 - klas kwekelingen aan de Rijkskweekschool te Middelburg

4. Zwolle (1910)

In 1891 werd te Rotterdam de "Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs" opgericht. De V.C.O. was een afsplitsing van de Vereniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs en werd opgericht met als doel de oprichting en ondersteuning van Christelijke scholen (lees: Hervormde lagere scholen). De Vereniging had o.a. een centraal adviesbureau, een commissie van beroep en inspecteurs, die nauwe contacten onderhielden met de scholen. De aangesloten scholen kregen juridische, organisatorische en financiële ondersteuning, voor zover de Vereniging dat kon opbrengen. Aanvankelijk hield de Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs zich uitsluitend met lagere scholen bezig. Het liefst wilde men dat op de Hervormde scholen ook lesgegeven zou worden door Hervormde leraren, maar daaraan was een groot tekort.
In 1905 reeds werd in de vergadering van het hoofdbestuur der "Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs" de wenselijkheid besproken één of meer eigen kweekscholen te stichten. Als plaatsen van vestiging werden genoemd: Zwolle, Amsterdam en Rotterdam. De eerstgenoemde werd echter de laatste, want Amsterdam en Rotterdam gingen Zwolle voor. De grote promotor van Zwolle was Ds. A. de Haan. Hij ging er op uit om giften te verzamelen en voor de rest werd een lening gesloten, waarvoor C.V.O. zich garant stelde. In februari 1909 had de aanbesteding plaats, tegelijk met die van de Wilhelminaschool, uitgaande van de afd. Zwolle van C.V.O., welke school bestemd werd als leerschool. Op 29 april 1910 opende de voorzitter van de C.V.O., dr.J.Th. de Visser, de latere minister van Onderwijs, de school. In zijn openingsrede wees hij op de hoge noodzakelijkheid der opleiding van onderwijzers en onderwijzeressen en de zeer grote betekenis daarvan. Het eerste gebouw stond aan het Assendorperplein. Gezien de financiële toestand (de financiële gelijkstelling was nog niet aan de orde) was het niet te verwonderen, dat het gebouw zo sober mogelijk ingericht werd. Er was slechts één vaklokaal, nl. voor natuurkunde. Geen gymnastieklokaal en evenmin een sportveld. Geen lokalen voor tekenen, nuttige handwerken, handenarbeid, muziek enz. In de loop der jaren is daaraan nog al wat verbeterd, maar een goed en in alle opzichten voldoend geheel kon het toch niet worden. Toch was het een grote vooruitgang vergeleken bij wat er in Zwolle aan Christelijke opleiding was, nl. avondnormaallessen, die gegeven werden in lokalen der scholen van C.V.O. en die dus in zekere zin de voorgangers waren van het werk van de kweekschool. Op de 1e mei 1910 begonnen de lessen. Art. 8 van het "Reglement" luidde: "Het onderwijs omvat de vakken van de examens voor onderwijzer en hoofdonderwijzer, de Bijbelsche-, Kerk-, en Zendings-geschiedenis, de Methodiek van het Bijbelsch Onderwijs, de Wiskunde, de Fransche, Hoogduitsche en Engelse taal, de Gezondheidsleer en de Gymnastiek. Bovendien ontvangen de vrouwelijke leerlingen onderricht in de nuttige handwerken. Zoo aan het Bestuur de wenschelijkheid en de mogelijkheid blijkt, kan ook nog onderwijs gegeven worden in Slöjd, Muziek en Spreken"

slöjd = toegepaste handenarbeid

Het leerlingenverloop was in de beginjaren zeer wisselend. Van 30 leerlingen in 1920 tot 144 leerlingen in 1932. In 1935 zakte het aantal weer naar 77 en in 1940 was de stand: 53 leerlingen. Maar in 1942 ging de curve omhoog. Het oude gebouw kon de schare uiteindelijk niet meer herbergen. Gedurende het schooljaar 1956/1957 telde de school 247 leerlingen, die gestouwd moesten worden in een gebouw, dat hooguit op 100 berekend was. De kweekschool kreeg de wind mee. Er was een schrikbarend tekort aan onderwijskrachten. De nieuwe kweekschoolwet haalde de kweekschool uit z'n schimmig isolement en plaatste die als volkomen gelijkwaardige naast andere middelbare scholen. Veel leerlingen van de ulo-scholen gingen in de jaren' 60 naar de kweekschool.

In januari 1957 wordt aan de Ten Oeverstraat in Zwolle een nieuw, modern schoolgebouw in gebruik genomen.  In 1954 werd in Assen een Hervormde kweekschool gesticht als dependance van de Hervormde Kweekschool te Zwolle. 
        

Over de klassengrootte.  

In 1912 schreef de Onderwijswet de volgende klassengrootte voor in relatie tot het aanstellen van onderwijzers:

voor     1 - 40   leerlingen:  één hoofd der school
voor   41 - 90   leerlingen:     ,,     ,,      ,,     ,,   ,,     en één onderwijzer                                          
voor   91 - 144 leerlingen:     ,,     ,,      ,,     ,,     ,,   twee onderwijzers
voor 145 - 190 leerlingen:     ,,     ,,      ,,     ,,     ,,   drie onderwijzers
voor 200 - 254 leerlingen:     ,,     ,,      ,,     ,,     ,,   vier onderwijzers
voor 310 - 364 leerlingen:     ,,     ,,     ,,      ,,     ,,   zes onderwijzers  enz..

De opleiding tot schoolmeester eind 19e / begin 20e eeuw

Jongens , die onderwijzer wilden worden, werden in het begin van de 20e eeuw op de lagere school al door het hoofd der school geselecteerd. Zij bleven tot hun 14e jaar als kwekeling op de lagere school. Zij kregen bijlessen van het hoofd der school om zich op het toelatingsexamen van de Kweekschool voor te bereiden. Die bijlessen werden ‘normaallessen’ genoemd en werden gevolgd door meerdere jongens. Overdag was de aankomende onderwijzer ‘manusje van alles’ voor het hoofd der school, de zgn, ‘krullenjongen’ en ’s avonds vonden de normaallessen plaats. Op 14 – jarige leeftijd werd er toelatingsexamen gedaan voor de Kweekschool. Als men daarvoor slaagde, ging men in de stad naar de Kweekschool. Onderwijzers als Jan Ligthart, W.G. van de Hulst en Jan van Brabant hebben deze route ook bewandeld en beschrijven dat op een prachtige manier in hun boeken:

- Jan Ligthart in “Jeugdherinneringen” (1919)
- W.G. van de Hulst in “Herinneringen van een Schoolmeester”
- Jan van Brabant in “Lief en Leed uit het leven van een dorpsschoolmeester” 

Na de kweekschool komt de Pedagogische Academie en daarna komt de PABO: Pedagogische Academie Basisonderwijs. De laatste ontstaat in 1985 bij het ingaan van de Wet op het Basisonderwijs, waarin lager onderwijs en kleuteronderwijs worden geïntegreerd tot basisonderwijs.