De onderwijzer: van amateur tot professional..

Onderwijs in Nederland van 1500 – 1700

In de 16e en 17e eeuw hebben tal van generaties onderwijs ontvangen in de scholen. In die periode zijn de scholen aan veel veranderingen onderhevig geweest. We denken hierbij aan richting, inrichting, methoden enz. In de eerste decennia van de 16 e eeuw was het onderwijs nog geheel geschoeid op middeleeuwse leest. Reeds vóór de Reformatie waren er veel schoolmeesters die niet tot de geestelijke stand behoorden. Weliswaar vervulden veel onderwijzers in de dorpen een kerkelijke functie, zoals voorlezer, voorzanger en koster, maar daarvoor was toen geen speciale opleiding nodig. Wel was het een functie, die vaak van vader op zoon overging; alleen als de oud geworden of overleden dorpsschoolmeester geen zoon als geschikte opvolger had, kwam er iemand van buitenaf. Er kwamen ook schoolmeesters van buiten, die dit werk nooit eerder gedaan hadden en die er ook nog een ander beroep bij deden. Soms waren ze heel wat minder in tel dan de boeren wier kinderen ze moesten lesgeven. Dat in 1593 in Utrecht gepleit werd voor een jaarlijks minimumloon van 50 gulden ter voldoening aan de "schamele noottruft" laat zien, hoe mager het salaris kon zijn. Neveninkomsten waren onmisbaar. Valcooch noemt in zijn boek de volgende ambachten, die goed met onderwijs te verenigen waren, zoals chirurgijn, schilder, schoenlapper, klompen-maker en boekbinder. In de eerste helft van de 17e eeuw kwamen die combinaties vaak voor, later blijken schoolmeesters dikwijls meer administratieve functies bekleed te hebben, zoals secretaris of bode van het gerecht, ook wel landmeter of zelfs notaris. De kerkelijke overheden voelden eigenlijk niets voor dergelijke combinaties, maar ze konden er weinig tegen doen. Alleen een combinatie met de functie van koster en voorzanger werd door de kerk van harte goedgekeurd en bevorderd. De door Valcooch gegeven opsomming van beroepen hierboven laat zien, hoe de schoolmeesters rond 1600 vaak voortkwamen uit de kring van kleine ambachtslieden. Voor veel beroepen was een behoorlijke dosis spierkracht vereist, maar schoolmeester vond men een licht beroep. In 1803 overleed op 26-jarige leeftijd de veelbelovende schoolmeester Jan Brunt. Zijn zwakke gezondheid was de reden dat men vond dat hij maar schoolmeester moest worden.  

Ondanks alle inspanning in dorpen en steden om goede schoolmeesters te benoemen, kwam het echter ook voor, dat er gegronde klachten waren over de onbekwaamheid en de onkunde der onderwijzers. Het kwam immers voor, dat knechten, die nergens meer geschikt voor waren, met het schoolambt werden begunstigd. Maar aan de andere kant is het ook waar dat in de 17e eeuw vele honderden knappe onderwijzers op de scholen aan het werk waren. Vele onderwijzers muntten niet alleen uit in de schrijfkunst, maar ook op het gebied van de rekenkunst. Bekend waren de rekenboeken “Cijfferinge” van Willem Bartjens(1569-1638.), die in 1636 verschenen. Vooral na de herroeping van het Edict van Nantes kwamen vele bekwame Franse school-meesters in het midden van de 17e eeuw naar de Hollandse steden. Hun onderwijs aan de Franse scholen stond gewoonlijk op hoog peil. Men was nog niet gekomen tot de algemene volksschool, zoals Comenius die bepleitte. Toch was het regel, dat de onderwijzers behalve de kinderen van de meer gegoede stand, ook arme kinderen op hun scholen moesten toelaten. 

De lees- en schrijfscholen in de 18e eeuw

Deze scholen werden ook wel Hollandse scholen genoemd, maar de naam Duitse scholen kwam ook voor. Het waren de lagere scholen, waar ’t onderwijs in lezen, schrijven en wat rekenen werd gegeven. Omdat er nog geen scheiding was tussen school en kerk, werd de school betaald door de gemeente en het personeel werd benoemd door de Kerkenraad der Hervormde Kerk (Nederduits Gereformeerde Kerk). Gewoonlijk waren de kinderen in drie groepen verdeeld: een leesklas: de jongste leerlingen, die alleen leerden lezen; de lees- en schrijfklas en de lees-, schrijf- en rekenklas.  Er moest schoolgeld worden betaald door de ouders. Als voorbeeld noemen we de situatie in Zevenaar. Daar stelde in 1793 de Kerkenraad het volgende tarief vast: voor een kind dat alleen leerde spellen en lezen, moest drie Hollandse stuivers betaald worden; voor een kind dat leerde lezen èn schrijven: vier stuivers; voor een kind dat daarnaast ook leerde rekenen: zes stuivers. Verhoging naar een volgende klas betekende voor de ouders en voor de meester meer schoolgeld. De diaconie betaalde het schoolgeld van de arme kinderen en de weeskinderen. De taak van de schoolmeester was beperkt. Naast lezen en schrijven moest hij de jeugd de Bijbelse Geschiedenis, het Onze Vader, de Tien Geboden en onderdelen van de Heidelbergse Catechismus bijbrengen. Er werd geschreven met inkt en een ganzenpen. Als kinderen leerden schrijven, betekende dat voor de ouders een extra uitgave: het schoolgeld werd hoger, omdat de meester de inkt, het papier en het versnijden van de pennen vergoed moest krijgen. De kinderen zaten aan tafels op rechte banken zonder leuning of ze zaten op de grond. De kinderen liepen door het lokaal, zowel om zich door de meester te laten overhoren, als om hulp te vragen aan een oudere leerling. Elk kind leerde voor zichzelf en in zijn eigen tempo en dat gebeurde hardop. De klassen waren groot. Er zijn verhalen bekend van 100 kinderen. De orde was streng.

Het kwam ook voor, dat schoolmeesters zich slechts gedroegen door plichtsverzuim en overmatig drankgebruik en daardoor dronken voor de klas stonden. Als de schoolmeester zijn gedrag niet verbeterde, volgde ontslag.

Bij benoeming van een nieuwe schoolmeester ging het niet alleen in ons land, maar ook elders, nog zonderling toe. Wel bepaalden de meeste reglementen, dat aan elke benoeming een examen vooraf moest gaan, maar daaraan hield men zich alleen in de grotere plaatsen. Na een selectie uit de sollicitanten werden er gesprekken gehouden met de kandidaten. Vervolgens werd in een vergelijkend examen onderzocht, of de sollicitant een goed penkunstenaar was, heel luid psalmen kon zingen èn moeilijke rekenkundige vraagstukken kon oplossen. Bovendien moest hij dan nog voor de Classis verschijnen, om te bewijzen, dat hij lidmaat was van de Gereformeerde Kerk en zuiver in de leer. Op het platteland, waar het benoemingsrecht behoorde aan de heer van het kasteel, hield men daar minder rekening mee en werd vaak een afgedankte koetsier of tuinman met het onderwijs belast. Het salaris, dat de onderwijzer ontving, was heel gering. Het bestond meestal alleen uit de schoolgelden van de kinderen. Vandaar, dat men de onderwijzer allerlei baantjes opdroeg om zijn inkomen enigszins op peil te brengen. Meestal was de schoolmeester ook koster, klokkenluider, voorzanger in de kerk, voorlezer in de kerk, schoonmaker, doodgraver en doodbidder.

Bevoegdheidseisen voor onderwijzers in de onderwijswet van 1806

In de onderwijswet van 1806 werd van de onderwijzers verlangd dat zij een bewijs hadden van goed zedelijk gedrag; een bewijs van de bekwaamheid en een bewijs van een aanstelling aan een school. Onderwijzers moesten een onderwijsakte halen, De examens werden afgenomen door de schoolopziener of door de onderwijscommissie van de Nederlandse departementen of provincies.

Art.13. Niemand zal binnen de Bataafsche Republiek eenig LagerOnderwijs geven, dan die de vier navolgende vereischten bezit: Vooreerst: Dat hij zijn goed burgerlijk en zedelijk gedrag door één of meer voldoende Getuigschriften kan bewijzen. Ten tweede : Dat hij de Algemeene Toelating tot het geven van Onderwijs erlangd hebbe. Ten derde: Dat hij, na en boven deze Algemeene Toelating, eene Aanstelling of Admissie tot deze of gene School , of voor deze of gene Plaats, wettiglijk verkregen hebbe. Ten vierde : Dat hij zich , na liet verkrijgen eener Speciale Beroeping, Aanstelling of Admissie, met de Bewijsstukken, daartoe betrekkelijk, bij den Schoolopziener van het District of de Plaatselijke Schoolcommissie in persoon of schriftelijk vervoegd hebbe. Zijnde hieronder niet begrepen de Onderwijzers , welke in particuliere huizen inwonen, en aan kinderen, tot dat huis behoorende, onderwijs geven."

Er werd onderscheid gemaakt in vier rangen met de volgende omschrijvingen:

De vierde of laagste Rang bestaat uit dezulke, die in het Lezen, Schrijven en de beginselen der Rekenkunde, de regel van Drieën ingesloten, tamelijk bedreven zijn, en tot het geven van onderwijs, eenigen aanleg hebben.

De derde uit dezulke, die, in het Lezen, Schrijven en Rekenen, zoo met geheele als gebroken getallen, wel ervaren, in derzelver toepassing op zaken van het dagelijksch leven eenige vaardigheid, van de beginselen der Nederlandsche Taal eenige kennis, en van eene goede manier van onderwijzen eenig begrip hebben.

De tweede uit dezulke, die, zoo in het gewoon als kunstmatig Lezen regt bedreven zijn, eene goede nette hand Schrijven, de Rekenkunde, zoo, Theoretisch als Praktisch, regt verstaan, de voornaamste regelen der Nederduitsche Taal, benevens derzelver gronden kennen, van de Aardrijks-en Geschiedkunde eenig begrip hebben, en eene genoegzame bekwaamheid en geoefendheid bezitten in het geven van een oordeelkundig onderwijs.

De eerste of hoogste uit dezulke, die - boven en behalve eene grondige ervarenheid in onderscheiden vakken van het Lager Onderwijs, en inzonderheid in de grondbeginselen en beoefening eenèr oordeelkundige Leerwijze - in de Aardrijks- en Geschiedkunde goede bedrevenheid bezitten, met de Natuur- en Wiskunde wel bekend zijn, en in beschaafdheid van verstand uitmunten.

In 1814 werd een vergelijkend examen bij iedere schoolvacature verplicht gesteld. Solliciterende onderwijzers hoorden een vergelijkend examen af te leggen in rekenkunst, taalkundig ontleden, opstel schrijven en schoonschrift. De beste kwam in aanmerking voor een aanstelling. Het proces-verbaal van zo’n vergelijkend examen waarin tevens een voordracht was opgenomen, moest ondertekend worden door de schoolopziener van het district waarin de vacature voorkwam en door degene (n), die tot benoeming gerechtigd waren. Dit proces-verbaal ging dan via de gouverneur van de provincie naar het departement in Den Haag, dat, voordat de onderwijzer in functie kon treden daartoe toestemming moest geven. Alle vacatures voor lagere scholen moesten opgenomen worden in de Nieuwe Bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding. Als dit niet gebeurde zou het departement een voorstel voor benoeming niet honoreren. Deze eisen waren van kracht tot de invoering van een nieuwe onderwijswet in 1857.
Akten, in Groningen verleend in de periode 1816 - 1858

      1e rang       12
      2e rang    439
      3e rang    704
      4e rang    762

In de onderwijswet van 1857 verdwijnen de rangen en wordt er alleen gesproken over een hoofdonderwijzer en een hulponderwijzer.

De geschiedenis van kweek- en normaalscholen

De toestand van het lager onderwijs aan de vooravond van de 19e eeuw was ronduit slecht.
In de wetten van 1801, 1803 en 1806 werd over de opleiding nog geen woord gerept; wie onderwijzer wilde worden, werd in de leer gedaan bij een schoolmeester, leerde daar de handgrepen, die bij het werk te pas kwamen en verwierf zich de kennis, die nodig was voor het examen. Toch leefde toen reeds het denkbeeld, dat wie goed onderwijs wil, in de eerste plaats moet zorgen voor een degelijke opleiding der leerkrachten. De wet van 1857 voorzag voor het eerst in kweek- en normaalscholen. Na 1857 werden er tal van kweekscholen voor onderwijzers gesticht. De Verening tot Nut van ’t Algemeen stichtte in de 19e eeuw in Amsterdam, Groningen en Haarlem kweekscholen voor onderwijzers, die later door Rijk of Gemeente overgenomen werden. In Arnhem kwam in 1860 een kweekschool voor onderwijzeressen. De oudste kweekschool in Nederland was de Haarlemse Kweekschool, die onder leiding stond van de bekende P.J. Prinsen.
 In 1876 werd te Amsterdam een Gemeentelijke kweekschool voor onderwijzers en onderwijzeressen opgericht (met subsidie van het Rijk), waarvan het directeurschap werd opgedragen aan H. Bouman, hoofdonderwijzer te Beerta. In 1877 verrezen Rijkskweekscholen te Deventer en Middelburg, in 1878 die te Nijmegen. De Rijkskweekschool te Groningen (1861) bloeide al spoedig onder haar eerste directeur, de bekende pedagoog B. Brugsma   In 1920 werd de Hervormde Kweekschool in Zwolle opgericht.

Over de klassengrootte. 

In 1912 schreef de Onderwijswet de volgende klassengrootte voor in relatie tot het aanstellen van onderwijzers:

voor     1 - 40   leerlingen:  één hoofd der school
voor   41 - 90   leerlingen:     ,,     ,,      ,,     ,,   ,,     en één onderwijzer                                          
voor   91 - 144 leerlingen:     ,,     ,,      ,,     ,,     ,,   twee onderwijzers
voor 145 - 190 leerlingen:     ,,     ,,      ,,     ,,     ,,   drie onderwijzers
voor 200 - 254 leerlingen:     ,,     ,,      ,,     ,,     ,,   vier onderwijzers
voor 310 - 364 leerlingen:     ,,     ,,     ,,      ,,     ,,   zes onderwijzers  enz..

De opleiding tot schoolmeester eind 19e / begin 20e eeuw

Jongens , die onderwijzer wilden worden, werden in het begin van de 20e eeuw op de lagere school al door het hoofd der school geselecteerd. Zij bleven tot hun 14e jaar als kwekeling op de lagere school. Zij kregen bijlessen van het hoofd der school om zich op het toelatingsexamen van de Kweekschool voor te bereiden. Die bijlessen werden ‘normaallessen’ genoemd en werden gevolgd door meerdere jongens. Overdag was de aankomende onderwijzer ‘manusje van alles’ voor het hoofd der school, de zgn, ‘krullenjongen’ en ’s avonds vonden de normaallessen plaats. Op 14 – jarige leeftijd werd er toelatingsexamen gedaan voor de Kweekschool. Als men daarvoor slaagde, ging men in de stad naar de Kweekschool. Onderwijzers als Jan Ligthart, W.G. van de Hulst en Jan van Brabant hebben deze route ook bewandeld en beschrijven dat op een prachtige manier in hun boeken:

- Jan Ligthart in “Jeugdherinneringen” (1919)
- W.G. van de Hulst in “Herinneringen van een Schoolmeester”
- Jan van Brabant in “Lief en Leed uit het leven van een dorpsschoolmeester”