Geschiedenis van het Lager Onderwijs in Maasland. (Z-H) 

1.   Inleiding

2.   Benoeming van schoolmeesters in Maasland in de 17e en 18e eeuw

3.   Bewaarscholen of kleinkinderscholen in Maasland

4.   Eerste onderwijswet van Van der Palm in 1801

5.   Het klaslokaal in 1801: individueel onderwijs

6.   Financiële situatie van de schoolmeester in 18e eeuw

7.   De derde schoolwet van Van den Ende in 1806

8.   Maasland in de Franse tijd

9.   De Grondwet van 1848

10. De Lager-onderwijswet van Van Brugghen in 1857

11. Het stichten van bijzondere scholen

12. Het wezen van de openbare school in de 18e en 19e eeuw

13. Enkele voorbeelden in het land

14. De Maaslandse situatie

15. De eerste School met de Bijbel

16. Het Rooms Katholieke onderwijs in Maasland

17. De Doleantie

18. De Doleantie in Maasland en de gevolgen voor het Chr. Onderwijs

19. Hoe het verder ging met de scholen

20. Besturen Prot.Chr. scholen vinden elkaar in 1977

21. Grote veranderingen na de eeuwwisseling

1.  Inleiding. 

Vóór de Franse tijd waren de gewesten van de Republiek en de gemeenten verantwoordelijk voor de organisatie van  het onderwijs en  de inrichting van de scholen. Openbare scholen hadden tijdens de republiek in de 17e eeuw een positief gereformeerde instelling. De  benoeming van onderwijzers geschiedde in samenwerking met de Kerkenraad van de Nederlands Hervormde Kerk. Ook in het Ambacht  Maasland is onderwijs gegeven, zoals in alle dorpen van ons land. Omdat er geen leerplicht was, werd dit onderwijs alleen gegeven aan die kinderen, die door hun ouders naar school werden gestuurd. Andere kinderen moesten werken op het land en moesten onderwijs ontberen. In de archieven vinden we vanaf de 17e eeuw nadere informatie over het schoolwezen en de schoolmeesters van Maasland.

We steken in dit artikel dus in vanaf 1600 en volgen de geschiedenis van het lager onderwijs globaal tot 2010. We ontkomen in deze  beschrijving niet aan de kerkelijke strijd in de 19e eeuw, omdat Schoolstrijd, Afscheiding en Doleantie van invloed zijn geweest op het  stichten van chr. scholen. Duidelijk is de enorme inzet van de ouders om in Maasland goed onderwijs mogelijk te maken. Dat dit tot in de 21e eeuw gelukt is, blijkt uit de huidige situatie van het onderwijs in Maasland, dat in het Westland nog steeds een goede naam heeft.

2.  Benoeming van schoolmeesters in Maasland in de 17e en 18e  eeuw. 

In de kerkelijke notulen lezen we, dat in januari 1601 met algemene stemmen door de Zetters en Kerkenraad tot Schoolmeester van Maasland is benoemd: eene Huijg Arents van der Linde, schoolmeester te Wateringe. Tevens lezen we, dat ' in de maand april 1619 geen predikant nog schoolmeester in Maasland was, en dat den dienst van Voorleser en Voorsanger wierd waargenomen bij eene  Cornelis Arentsz. Blommert'.  Verder bladerend in de notulen lezen we dat op 18 juli 1640 tijdens een vergadering van Schout, Schepenen en Setters, waarbij ook ds. Schulius en de ouder-lingen Jan Dirksz. Bogaart en Pieter Leendertsz. Verkade aanwezig waren, met algemene stemmen Arij Jansz. Brant tot Schoolmeester van Maasland is benoemd.

De eerste helft van de 18e eeuw brengt ons bij meester Abraham Devoye, die van 1696 - 1744 de Maaslandse jeugd onderwijs heeft  gegeven. Toen hij vanwege zijn hoge leeftijd na 48 jaar zijn functie wilde neerleggen, richtte hij een 'request' tot de Heeren Schout,  Setters en Schepenen van Maasland met het verzoek om tegen geringe betaling in een vertrekje van het 'Schoolhuys' te mogen blijven  wonen en mee te mogen eten aan de tafel van zijn opvolger. Meester Devoye kan niet leven van zijn geringe middelen en spreekt de Heeren aan op hun redelijkheid en billijkheid. Bij de benoe-ming van zijn opvolger blijkt dat Kerk en Gemeente volledig samenwerken om een nieuwe schoolmeester in Maasland te benoemen.

Diverse keren verschijnt in de Delftse en Leijdse Courant de volgende advertentie:

“Dewijl het Schoolmeester, voorlezer ende voorsanger ampt binnen de Dorpe en Ambagte van Maasland is komen te vacere, soo kunnen die geene, die genegen en bequaam sijn, de Voorsz: ampten op een heel goed inkomen te bedienen, haar met ten eersten addresseren aan de Heeren Schout en Predicant aldaar”

Zesentwintig sollicitanten meldden zich van heinde en verre. Er waren er uit 't Woud en Maassluis, maar ook uit Zaandam en Heilo.

Er wordt een selectie gemaakt van 6 personen; met deze kandidaten worden nadere gesprekken gevoerd en testen afgenomen. Het betreft hier: Jacob Tulp, Jan Verhoog, Jacob Wagemans, Claas Met, Krijn Spijk, Conelis Sitter. Op 14 december 1744 moeten zij  's morgens in de kerk voorzingen en 's middags een schrijftoets afleggen. De volgende dag moeten ze 's morgens in het 'Regthuys' hun  cijferkunst laten zien. Op de 18e komt het College van Schout, Setters en Schepenen èn ds. Ysbrandus Kouwenhoven bij elkaar, om te  stemmen. De stembriefjes van de leden van het College van Schout, Setters en Schepenen worden bij de stembriefjes van de  Kerkenraadsleden gevoegd. Jacob Tulp wordt bij meerderheid van stemmen benoemd tot schoolmeester, voorlezer en voorzanger. Hij begint zijn werk op 1 februari 1745.

De 'Conditën en Voorwaarden' voor meester Tulp worden vastgesteld en luidden als volgt:

Conditiën en Voorwaarden. waarna Jacob Tulp tot Schoolmeester van den Dorpe en Ambagte van Maasland is aangenomen, omme het  Schoolmeester, Voorlezer ende Voorsanger ampt met den gevolge van dien alhier waar te nemen ende te bedienen, beginnende met den 1e Februarij 1745

Art. 1.   Eerstelijk zal den schoolmeester gehouden zijn het school smorgens met het morgengebet te doen beginnen en ook met gebeede eyndigen, en 's namiddags met het gebet beginnen (...) en voor en namiddag te doen eyndigen met een psalmgesang  (...) en zal ook letten off alle scholieren in zijn school tegenwoordig zijn, en soo niet verneemen na de oorzaak van haar affweesen, en dan voorts na bevinding moeten handelen.

Art. 2.    De kinderen bij hem ter schoole komend zal hij neerstiglijk onderwijsen en stigten in 't leeren leesen, schrijven en cijfferen *1)  en daar benevens doen leeren het vader ons, de 12 art: des geloofs, de tien geboden, het register van alle canonike boeken des oude en nieuwe testaments, het morgen en avondgebet, voor en na den eeten, gelijk ook soodanige vraageboekjes, als den Predicant nodig en voegzaam zal oordelen te behooren (...)

Art. 3.    Item zal den Schoolmeester gehouden zijn de bekwaamste van de scholieren, zijnde van de Gereformeerde religie, te doen leeren de vragen in de catechismus, die telkens op den Sondag in de kerk zullen worden verhandelt, om aldaar publicquelijk van hen opgesegt te worden.

 Art. 4.    En zal hij Schoolmeester sig voorts bevlijtigen omme de kinderen in de vreese des Heeren en goede manieren soo binnen als buyten de schoole te onderhouden, en dat se haare Ouders, Magistraaten, Predicanten en alle eerlijke luijden behoorlijk eer en respect bewijzen, waarinne hij deselve met een goed exempel zal voorgaan.

Art. 5.    Voorts zal hij Schoolmeester gehouden zijn, op het uurwerk wel te passen, het zelve behoorlijk stellen, smeeren en ordinaires schoonmaken en ter regter tijt slaan laten, als meede des smergens te elff uuren met de groote klok te luijden, na ouder gewoonte, gelijk meede op de predikdagen wanneer men dienst doen zal, des smergens te agt uuren en des namiddags ten een uur, en wanneer des avonts wort gepredikt des avonts ten halff vijf uuren, mitsgaders alsdan de kaarsen ook te moeten op en aansteeken.

Art. 6.     Wijders zal hij Schoolmeester gehouden zijn het houtwerk in de kerk en de preekstoel, banken, boeken, kussens en koperwerk te doen afstoffen en reynigen, en wanneer het noodig is de kroon op en af te hangen.

Art. 7.     Alsmeede zal hij Schoolmeester gehouden zijn in de kerk voor te leese en te singen. 

Art. 10.   Waar tegens hij Schoolmeester jaarlijks van 't ambacht tot een tractement ontfangen zal, de somm van een honderd carolij guldens te veertig grooten het stuk, wel alle halff jaaren betaalt zal worden, welk eerste half jaar verscheenen zal zijn den 9e November en zoo vervolgens successivelijk van halff jaar tot halff jaar, soolange als hij hetzelve schoolmeesterampt zal komen waar te nemen.

Art. 11.    Item zal hij Schoolmeester nog ontfangen van de Kerke van Maaslant voor zijn kerkedienste jaarlijks een gelijke somm van een hondert guldens, waarvan alle vierendeel Jaars het een vierde part betaalt zal worden.

Art. 12.    Alsmeede zal hij Schoolmeester van dexzelve Kerk jaarlijks nog ontfangen voor het afstoffen van het houtwerk de somma van dertig gulden, voor het luyden de somma van seeven gulden tien stuyvers, voor vastenavond-gelt de somme van een gulden, voor 't aansteeken der kaarsen vijff gulden, voor 't waarnemen van tafelgoet eene gulden tien stuyvers, en voor 't op- en afhangen der kroonen wanneer zulks gedaan wordt eene gulden.

Art. 13.   Nog zal den Schoolmeester jaarlijks van de meesters van de H.Geest-armen ontfangen wegens de kinderen die van den armen  ter schoole komen te leeren gelijk zijn andere discipelen jaarlijks veertien gulden buyten en behalve de leverantie van boeken,  pennen en inkt voor dezelve kinderen.

Art. 14.   En zal hij, Schoolmeester, Jaarlijks nog genieten van de diaconie-armen alhier als wanneer hij ter requisitie van de Kerkenraat komt te schrijven de Diaconie-reeckeningen en wat daartoe behoort de somme van neegen gulden en tien stuyvers.

Art. 15.   Wijders zal hij, Schoolmeester, nog ontfangen van ijder kint (exempt die van den armen en aalmoesen leeven) ter weeke: die leere schrijven, twee stuyvers; die niet schrijven maar alleen leeren leesen eene stuyver; de avontscholieren twee stuyvers met  een kaars en die cijfferen drie stuyvers. *2)

Art. 16.   Den Schoolmeester zal ook hebbern de vrije bewoninge van het school en annexe huysinge, soo voor zig selven als sijne Famillie en huysvolk, alsmeede van de kinderen, die bij hem mogte komen thuijs te leggen omme geleert en onderweezen te worden,  alsmede het vrije gebruik van den thuijn, soodanig en in dier voegen als zijn voorsaet Jacob Tulp het zelve genooten heeft.

*1) Lezen, schrijven en rekenen waren de enige schoolvakken. Pas in 1857 werden de zaakvakken   verplicht in het onderwijs.

*2) Dit was algemeen gebruik in Nederland. Kinderen  (ouders) betaalden alleen voor de vakken, die ze kregen en waarvoor ze 'ingeschreven'  hadden. Kinderen leerden alleen lezen òf lezen en schrijven òf alleen cijfferen òf alle vakken. Cijfferen kostte het meest. Hieruit maken wij op, dat rekenen in  die tijd het meest werd gewaardeerd.

Nog enkele opmerkingen over de 'bijbaantjes', die door de schoolmeester werden bekleed: die waren vrij talrijk. Uit de 'Conditiën en Voorwaarden', waarop meester Tulp in 1745 benoemd werd, hebben we er al verschillende leren kennen, maar hij had er meer. Een onderwijzer was in die tijd een waar 'manusje-van-alles'. Alle baantjes brachten een stukje traktement binnen. Maas soms ging het wel wat te ver. In juni 1732 maakte de Ambachts-vrouwe van Maasland bezwaar, dat de schoolmeester voor de secretaris van Maasland  schrijfwerk verrichtte. Zij liet de Schout aan de schoolmeester mededelen, dat hij zich alleen met zijn school moest bemoeien. Dergelijke extra baantjes zouden het onderwijs aan de jeugd kunnen belemmeren.   

Niet lang heeft meester Tulp zijn functies in Maasland uitgeoefend; hij stierf eind oktober 1756. Zondag om half acht was hij overleden,  naar Ds. van Kouwenhoven op de Kerkenraads-vergadering van 14 november meedeelde. Dit had tot gevolg, dat één en ander met de onderschoolmeester moest worden besproken. In de vergadering van 1 november werd allereerst de weduwe van Jacob Tulp gevraagd,  of zij soms voor een vervanger zou kunnen zorgen, die zowel het werk in school als in de kerk kon verrichten. Het bleek, dat ze geen vervanger kon vinden - als ze er al moeite voor gedaan had - want een week later benoemde men een Commissie, die het benoemen van een nieuwe schoolmeester in studie moest nemen. In deze Commissie namen zitting de predikant, de ouderling Jacob Oostvries en de diaken Jacob Jansz. Biemont. Hier blijkt, dat men zich toen reeds van vaste 'draaiboeken'  bediende met betrekking tot het benoemen van  een schoolmeester, omdat men precies dezelfde benoemingsprocedure volgde, zoals men destijds bij de benoeming van meester Tulp had gedaan. In januari 1757 besloot men een vergadering te beleggen met het gerecht van Maasland. Op 3 januari 's morgens om 10 uur kwamen Schout, Schepenen en Kerkenraad in de Pynas, het rechthuis, bijéén.  Als eerste stuk werd een voortijdige sollicitatie ter tafel  gebracht van Jan Tulp, meester te Elburg, welke verzocht zijn overleden vader als schoolmeester en voorzanger te mogen opvolgen. Het  tweede punt betrof het plaatsen van een advertentie in de couranten met dezelfde tekst als de advertentie in 1744. Er waren 27 sollicitanten, waaronder meester Jan van Nie, ondermeester te Maasland. Op de vergadering die de 23e maart gehouden  werd, werden twee besluiten genomen, nl.:

1e.   onderschoolmeesters komen niet in aanmerking; 

2e.  Jan Tulp zal evenmin in aanmerking komen, omdat hij zijn gaven van het lezen en zingen    niet  had vertoond.

Uit deze 27 sollicitanten werden de volgende zes personen bij meerderheid van stemmen gekozen: Adam Adriaan van Arle; Tijs Bosman;  Nicolaas Roos; Diderik Krol; Jan Kroon; Jacobus Klinkenbergh. Men stelde 12 april 1757 vast als dag, waarop deze zes heren hun gaven en bekwaamheden mochten komen tonen. Intussen werd aan iedereen die daarvoor in de gelegenheid was, verzocht zoveel  mogelijk informaties in te winnen omtrent het gedrag van bovengenoemde schoolmeesters. Aan de betrokkenen zond men een  uitnodiging om op deze dag om 9 uur in de kerk aanwezig te willen zijn om daar op z'n beurt te lezen en te zingen, 's middags te  schrijven en de volgende dag in het rechthuis te cijferen. Op 12 april werd heel Maasland met klokgelui uitgenodigd naar de kerk te komen om de voorstelling bij te wonen. Nadat de zes schoolmeesters hadden gelezen en gezongen, trok men zich in het rechthuis terug en daar kregen de sollicitanten elk drie bladen wit papier om 's middags te beschrijven en de volgende dag om 9 uur aan de 'examinatoren'  ter hand te stellen. De 13e verschenen de schoolmeesters voor de leden van de Kerkenraad, de Schout, de Zetters en de
Schepenen en werd hen de laatste opdracht verstrekt. Dit waren vier sommen, twee door de Schout en twee door de predikant opgegeven.
Na deze taak volbracht te hebben, werd over hun lot gestemd. Met meerderheid van stemmen werd toen tot schoolmeester beroepen:  Adam Adriaan van Arle, schoolmeester te Valkenburg. Op 4 mei kwam deze te Maasland aan en op zondag 8 mei aanvaardde hij zijn ambt. Op 9 mei werden aan meester van Arle de 'Conditiën en Voorwaarden' onder ogen gebracht, op welke hij was aangenomen. Deze voorwaarden waren exact gelijk aan de voorwaarden, die Jacob Tulp destijds werden voorgehouden. De predikant was het echter niet helemaal eens met het vrije gebruik van het tuintje, maar de kerkenraad wilde daar niet op ingaan, omdat dat punt haar niet raakte.

3.  Bewaarscholen of kleinkinderscholen in Maasland.

In Maasland waren enkele kleinkinderscholen. Regelmatig verzochten vrouwen aan Schout en Zetters van Maasland om aan Huis ter Lugt of in de Zuidbuurt een kleinkinderschool te mogen houden. Zo werd op 1 september 1780 Trijntje Tulp tot 'schoolvrouw' verkozen. Hieronder volgt de beschrijving van de eisen, die Schout en Zetters van Maasland aan Trijntje Tulp stelden:

'Schout en Zetters van Maasland in haar oude Regt van Possessie om alleen bijschoolen te Maasland te mogen aanstellen, hebben met  elkaar verkoozen Trijntje Tulp, wonende alhier omme als School-vrouw alhier te Maasland te mogen fungeeren en dat op volgende  conditiën:

1.   Dat zij de kinderen bij haar ter schoole komende 's morgens van negen tot twaalf en des   namiddags in den Zomer van half twee tot zes uuren, dog des Winters van half twee totdat het donker word zal moeten bijblijven om dezelve in het spellen en leezen te onderwijzen.

2.   Sal alleen tot onderwijs der kinderen gebruyken boekjes die stigtelijk en met de Christelijk Gereformeerde Religie overéénkomende  zijn.

3.   Sal de jonge kinderen na hun begrip de beginselen van Godzaaligheyt ende eerbiedigheyt tot hunne ouders en goede Manieren na  vermogen inplanten.

4.   Sal daar en boven zorg moeten dragen dat de kinderen het Onze Vader, de twaalf Articulen des geloofs en de tien Geboden, alsook daarna het gewone Morgen- en Avondgebet, neffens de gebeden voor en na den Eeten, zooals die agter den Heydelbergsen  Catechismus staan geleerd worden.

5.   Ook zal zij degeene, die daartoe eenige bequaamheyt hebben beginnen te Catechizeren, twee maal ter week des Woensdags en des  Zaterdags voor of na den Middag volgens de kleyne vraagjes van Jacobus Borstius en de meergevorderden volgens het kort begrip of den Catechismus.

6.   Ondertussen zal zij geen kinderen boven de zeven Jaaren mogen toelaaten zonder dat deeze bepaling egter betrekking heeft tot  Meysjes, die het Breyen of andere handwerken bij haar leeren.

7.   Sij zal geen vrijheijt hebben, om ijmand de Schrijf- of Cijfferkonst te onderwijsen, opdat het groote school niet benadeelt wort.

8.   Nog zal zij verpligt zijn een bordeken uyt te hangen, met uytdrukking van haar naam en geadmitteerd Kinderschool.

9.   Behoudens het College van Schout en Setters het regt en de vrijheijt aan zig om zoo dikwijls en wanneer het hen zal gelieven de  school zullen visiteeren, en te zien of deze bovenstaande artykelen wel worden waargenomen.

10. Behoudens dezelve insgelijks aan zig om alle de bovenstaande articelen te veranderen en te vermeerderen zoo als zij in der tijd zullen goetvinden te behoren.

11. Alles echter bij provisie en tot wederzegging.

Landelijk werden deze zg. matressenschooltjes veelal bezocht door kinderen van 3 -5 jaar. Deze schooltjes werden geleid door vrouwen,  die, vaak reeds op gevorderde leeftijd gekomen, op geen andere wijze in hun levensonderhoud konden voorzien. Een gedeelte van de  toch reeds kleine woning, soms de kelder, vaak de 'zitslaapkamer', werd tot dit doel ingericht. Sanitair ontbrak dikwijls geheel. Op lange zitbankjes werd een zo groot mogelijk aantal kinderen 'bezig' gehouden. De matres, die vaak zelf niet eens kon lezen of schrijven, leerde de kinderen het 'Onzevader', de 10 geboden, enkele psalmen en gebeden, het abc en tellen. Deze matressenschooltjes, die een aanklacht  tegen alle regels van de hygiëne waren, waren pedagogische wangedrochten.

4.  Eerste onderwijswet van Van der Palm in 1801.

De straffe hand van Napoleon, die landsbesturen en legermachten organiseerde, bemoeide zich ook met het onderwijs.  In ons land werd de Leidse hoogleraar J.H. van der Palm in 1799 benoemd tot agent van de Nationale Opvoeding.  Hij kreeg als opdracht het lager onderwijs van staatswege te organiseren en te zorgen voor een algemene schoolwet.  Zijn ontwerp, op 6 juni 1801 bekrachtigd, is onze eerste schoolwet geworden. Het doel van het onderwijs was 'door  ontwikkeling der verstande-lijke vermogens der kinderen hen tot redelijke wezens te vormen, en wijders, om in hunne harten in te prenten de kennis en het gevoel van dat alles, wat zij aan het Opperwezen, aan de Maatschappij, aan hunne ouderen, aan zich zelven en aan hunne medemensen verschuldigd zijn.'  Het zijn de Aufklärungs-idealen, die in  deze omschrijving tot uitdrukking kwamen.

De verdienste van de wet-Van der Palm was, dat zij een begin van orde schiep in een volstrekte chaos. Met zijn befaamde 'Memorie betreffende de toekomstige inrichting en noodzakelijke verbetering van het schoolwezen'  van 9 juni 1800, had de Agent de totale onderwijsproblematiek definitief op het niveau van het landsbestuur getild. Hij regelde een karige financiering en een bescheiden  onderwijsprogram, voerde bekwaamheidseisen in voor de onderwijzers en een gezaghebbend schooltoezicht. De onderwijsinspecteur kreeg toegangsrecht tot de school en scholen werden verplicht de inspecteur informatie te verschaffen. Als taak van de inspectie werd  vastgesteld dat zij controleert of scholen zich aan wet- en regelgeving houden, dat zij oordeelt over de kwaliteit van het onderwijs, dat  zij kwaliteit bevordert en rapporteert over de staat van het onderwijs.

5.  Het klaslokaal omstreeks 1800: individueel onderwijs.

Hoe zag het klaslokaal er uit in 1801, het jaar waarin de geschiedenis van het Rijksschooltoezicht begint?  Welke situaties troffen de schoolopzieners aan in de lagere scholen in Nederland? We kunnen daar een beeld van geven door een beroep te doen op schilderijen van de 17e eeuwse genreschilders. Uit de diverse voorstellingen blijkt dat de schoolmeestersstoel (in de middeleeuwse scholen werd dit de leerstoel genoemd) inclusief de bijbehorende tafel een centrale plaats inneemt. Het onderwijs is individueel of hoofdelijk. Oudere en jongere leerlingen, jongens  en meisjes bevinden zich in dezelfde, vaak donkere ruimte met een lemen of natuurstenen vloer. De leerlingen worden om de beurt bij de schoolmeester geroepen om hun lessen op te zeggen of hun schrijfwerk te tonen. Dat  betekende dat een leerling slechts enkele minuten per dag 'feedback' kreeg op zijn gedane arbeid. Van een gelijk tijdige instructie aan alle leerlingen was geen sprake. Een schoolbord of telraam was niet te vinden op school. Wel plak, roede en pechvogel om de orde te bewaren.

Wat de leerstof betreft, werd in de 17e eeuw in Nederland het "Groot ABC-boek"  op de scholen gebruikt. Het boek werd steeds  'Hanenboek' genoemd naar de haan op de keerzijde van het titelblad. Onfer de haan stond:

                                                      "Kinders leert u lesse wel.                    

                                      's Morgens den Haan zijn ijver vroeg bewijst,

                                           Leert jonge jeugt dat men u ook so prijst       

                                                       (later is dit veranderd in:)

                                                De Haan verkondigt 's Heeren dag,

                                                      Heeft bij zijn Huysgezin gesag,

                                                 Hij roept een ieder vroeg aan 't werk

                                                      En Sondags naarstig in de Kerk.

Andere methoden, die gebruikt werden, waren:

- A.B..-boekjes

- Trap der Jeugd (verzamelboekjes van zgn. nuttige kennis)

- Spreuken Salomonsen

- de Heidelbergse Catechismus

 - het Rekenboek van Bartjens

6.   De financiële situatie van de schoolmeester in de 18e eeuw. 

Bij de benoeming van de onderwijzers ging het niet alleen in ons land, maar ook elders, nog zonderling toe. Wel bepaalden de meeste reglementen, dat aan elke benoeming een examen vooraf moest gaan, maar daaraan hield men zich alleen in de grotere plaatsen. Dan werd onderzocht, of de sollicitant een goed penkunstenaar was, heel luid psalmen kon zingen of moeilijke rekenkundige vraagstukken kon oplossen. Bovendien moest hij dan nog voor de Classis verschijnen, om te bewijzen, dat hij lidmaat was van de Gereformeerde Kerk en zuiver in de leer. Het salaris, dat de onderwijzer ontving, was heel gering. Het bestond meestal alleen uit de schoolgelden van de kinderen. Vandaar, dat men de onderwijzer allerlei baantjes opdroeg om zijn inkomen enigszins op peil te brengen. Meestal was de schoolmeester ook koster, klokkenluider, dorpsschrijver, dood-graver, lijkenbidder enz. Dit was ook nog het geval in het begin van de 19 e eeuw, getuige de onder-staande advertentie uit 1809:                                     

"Monster. Bloeimaand 1809. Door het overlijden van D. van der Burgh, zijn de posten van Schoolonderwijzer, Voorzanger, Koster, Klokkenluider, Doodbidder en Doodgraver vacant. De School behoort wel tot den middelsten rang, doch daar de zamenvoeging der opgemelde posten opnieuw bepaald is, zal hier een inkomen zijn van F 800,= 's jaars, vrije woning en school. Het Gemeentebestuur, in vereeniging met den Kerkenraad der Hervormde Gemeente, verlangt daarom, dat zich Sollicitanten van hoogeren dan den derden rang  aanmelden."

In Maasland, hebben we gezien, ontving de schoolmeester naast het schoolgeld van de kinderen zowel van de gemeente als de kerk een  jaarlijkse vergoeding. Ook had de Maaslandse schoolmeester de functies van doodgraver en lijkenbidder niet in zijn takenpakket.

7.   De derde schoolwet van Van den Ende van 1806.

In 1805 werd aan een refendaris bij de Raad van Binnenlandse Zaken, nl. aan Adriaan van den Ende, opdracht  verstrekt om van advies te dienen over de vraag, welke gebreken aan de tweede schoolwet kleefden. Op grond van de  ervaring en rekening houdend met aangevoerde bezwaren, ontwierp Van der Enden een nieuwe wet,  getiteld  "Reglement voor het lager schoolwezen en onderwijs binnen de Bataafse Republiek."  De ontworpen wet werd  goedgekeurd . Hiermee was de derde schoolwet - de wet van Van den Ende van 1806 - tot stand gekomen. De wet van 1806 schreef de indeling van scholen in klassen imperatief voor als voorbereiding op het klassikale onderwijs.

Behoudens enkele wijzigingen hield deze wet tot 1857 stand. Vooral na de doorwerking van de wet van 1806 ging het werk van Van der Palm en van Van den Ende vruchten dragen. De schoolwet van 1806 was van Filantropijnse huize en  nam t.o.v. de godsdienstige vorming een vrijzinnig standpunt in, hetgeen later zou leiden tot de Schoolstrijd. Deze wet beoogde gestalte te geven aan een nationale eenheidsschool. De kern van deze wet was artikel 22:

"Alle Schoolonderwijsal zoodanig moeten worden ingericht, dat onder het aanleren van gepaste en nuttige kundigheden, de verstandelijke vermogens der kinderen ontwikkeld, en zij zelven opgeleid worden tot alle Maatschappelijke en Christelijke deugden."

Gedurende het Koninkrijk Holland (1806-1810) en de inlijving van ons land bij Frankrijk (1810-1813) bleef de derde schoolwet gelden.  Vanaf 1811 echter met de onuitvoerbare bepaling, dat aan alle scholen zonder onderscheid onderwijs in de Franse taal zou moeten worden gegeven

 8.  Maasland in de Franse tijd. 

Meester Adam Adriaan van Arle legde in 1777 zijn betrekking als schoolmeester neer om in het college van Zetters te worden gekozen  en tot rentmeester van de Kerkvoogdij der Ned. Hervormde gemeente. Meester Willem Wiltschut was zijn opvolger en bleef dit tot 1795, toen hij vanwege zijn orangistische houding werd afgezet. Nu moest er uiteraard vanwege de Franse Tijd naar een schoolmeester worden uitgezien, die de Franse taal meester was. Uit de sollicitanten werd een viertal opgeroepen om op 15 oktober 1795 in het 'regthuis' van Maasland te verschijnen om in het lezen, zingen, schrijven en cijferen geëxamineerd te worden. Voor het eerst is hier sprake van een vergelijkend examen, dat door enkele schoolmeesters uit Maassluis werd afgenomen en die daar elk zeven gulden en 16 stuivers  voor ontvingen. Meester Ary Harreman, schoolmeester te Zuidland, werd benoemd door het College van Municipaliteit, dat het College  van Schout en Zetters had vervangen vanwege de Franse overheersing. Meester Harreman werd benoemd onder de volgende 'Conditiën  en Voorwaarden': 

Hij zal den kinderen, wier ouders dit verlangen, ook in de Fransche taal onderwijzen.

Hij zal in zijn school een vasten tijd bepalen om de kinderen onderscheidenlijk in het Nederduitsch  en Fransch te leeren spelden, lezen en opzeggen, ook voor schrijven en cijfferen.

Elk kind zal gedurende iederen schooltijd tweemaal moeten opzeggen.
De kinderen, die overblijven, zullen hun boterham in het schoolhuis opeten, en de meester zal  zorgen, dat zij behoorlijk bidden en danken. 

De schoolmeester zal ook avondschool houden, al ware het, dat er maar 3 of 4 personen zich daarvoor aanmeldden.

Hij zal viermaal per jaar de schriften der leerlingen bij de Municipaliteit inleveren, die daaruit de vor- deringen der leerlingen zullen nagaan.

Hij zal de kinderen, aan zijn zorgen toevertrouwd, in de vreeze des Heeren en goede manieren, zo  binnen als buiten de school, oefenen.
Hij zal hen moeten leeren ouders, overheden en alle eerlijke lieden behoorlijke eer en hoogachting te bewijzen.
Hij zal gedurende den schooltijd behoorlijk gekleed zijn en niet rooken.

Daarentegen zal de schoolmeester ontvangen voor salaris 100 Caroli gulden tot 40 grooten het stuk, benevens vrije woning en het gebruik van school en annexe huizing.

Van elk kind zal hij ontvangen, uitgezonderd de armen, voor schrijven en cijfferen 3 stuivers, voor Fransch 2 stuivers, enkel lezen 1½ stuiver; avondscholieren nog daarenboven 2 stuivers en een kaars en die cijfferen 3 stuivers en die Fransch leeren boven alle het  voorz. nog 2 stuivers, behalve de kosten voor 'Spelde-, Lees-, Schrijf- en Cijfferboeken en pennen.

Arme kinderen zal hij voor niets onderwijzen; boeken, pennen en inkt zullen de arme kindere desniettemin moeten betalen.

UIt bovenstaande 'Conditiën en Voorwaarden' blijkt, dat de scheiding van Kerk en Staat een feit was geworden. De lust om hun kinderen  Fransch te laten leren, was in 1795 en volgende jaren niet groot. Tot een groter aantal dan 6 bracht meester Harreman het niet.
Meester Harreman leverde reeds in december 1795 de schriften van zijn leerlingen in bij de Municipaliteit en op 6 mei 1796 leverde hij  ze wéér in. De Municipaliteit was zeer tevreden en deelde premies uit aan de leerlingen met de hoogste punten. In oktober 1802 werden  aan de beste leer-lingen boekjes uitgedeeld. Dat de belangstelling voor het onderwijs toenam, blijkt uit het feit, dat de Schout, Pieter  Coenraad de Coningh, zelf de prijsjes uitdeelde. Op 6 augustus 1802 verzocht meester Harremans aan de Municipaliteit:

1e  dat ingevolge de algemene schoolverordening de plaatsen der scholieren aan de schooltafels genummerd mochten worden;

2e  een bort zwart geverfd teneinde de kinderen der 1 ste klasse daarop te leeren spellen en daartoe mede de benoodigde letterborretjes van blik;


3e  dat er een schoolexaminatie mag plaats hebben en hem de tijd daarvan mag worden bekend gemaakt, teneinde den schoolopziener  Spoelstra ingevolge deszelfs verzoek daarvan communicatie te geven, ten einde daarbij te adsisteeren.

Meester Harremans was dus benoemd op een vast salaris van 100 Caroli guldens. Daarnaast ontving hij bij zijn aanstelling honderd  gulden extra beloning buiten het Reglement en de Conditiën om. Dit extra bedrag was hem bij zijn benoeming zowel door de  Municipaliteit als door particuliere personen toegezegd vanwege 'goed onderwijs en de duurte des tijds' . Daarnaast kreeg hij nog een  jaarlijks 'douceur' van F 25,- Tot april 1804 had de uitbetaling van dit salaris (F 225,-) geregeld plaatsge-vonden. Maar in de maand mei  besloot de Municipaliteit de extra F 100,- vanwege een niet-sluitende begroting in te trekken. Twee municipalen: van Schie en Zuydgeest verklaarden niet met dit besluit te kunnen instemmen en verzochten dit in het verslag op te nemen. Toen meester Harreman op 30 november 1804 om betaling verzocht van zijn halfjaarlijks salaris, kreeg hij slechts F 87,50 in handen in plaats van de toegezegde  F 112,50. Meester Harreman wendde zich toen tot de schoolop-ziener, de heer Spoelstra. Deze wees er in zijn brief aan de Municipaliteit op, dat meester Harreman de F 100,- extra tractement toekwam, omdat hij alleen op die voorwaarde van Zuidland naar Maas-land had willen overkomen. Voortaan kreeg meester Harreman het oorspronkelijke bedrag vanF 225,- 

In 1799 vroeg de 'Agent van nationale opvoeding' opgave omtrent het onderwijs in Maasland. Op 22 februari van dat jaar werd hem door de Municipaliteit geantwoord: "Er zijn hier te Maasland geen letterkundige instituten van welken aard of benaming ook. Er is hier een Nederduitsche en tegelijk fransche schoolmeester, die behalve vrije woning F 100,= tractement geniet, boven en behalve de schoolgelden".  De belangstelling van bovenaf bleef bestaan en groeide. Op 6 december 1810 bracht de Landdrost in het departement  Maasland de algemene bepaling omtrent het oprichten van schoolfondsen binnen het voornoemd departement. De Municipaliteit was van mening dat de oprichting van een schoolfonds alhier geen zin zou hebben, omdat..

1e.  alles hier goed gaat op het gebied van het onderwijs

2e.  een schoolfonds onbillijk zou zijn, omdat zij, die geen kinderen hebben, daaraan evenveel zouden moeten betalen als zij, die even gegoed, met kinderen gezegend zijn.

Er werd daarom ontheffing aangevraagd van de plicht tot oprichting van een Schoolfonds. Dit verzoek werd door de Landdrost niet ingewilligd en hij beval zo spoedig mogelijk te Maasland een Schoolfonds in het leven te roepen. Naar aanleiding daarvan besloot de Municipaliteit een commissie uit haar midden in te stellen, die overleg zou plegen met de schoolopziener. Of het Schoolfonds nog is opgericht, valt te betwijfelen. Er is niets meer over deze kwestie in de archieven gevonden.

9.   De Grondwet van 1848.

De Grondwet van 1848, grotendeels het werk van mr.J.R. Thorbecke, bracht de vrijheid van het geven van onderwijs in artikel 194. Het luidde:

" Het openbaar onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der Regering. De inrigting van het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, door de wet geregeld. Er wordt overal in het Rijk van overheidswege voldoend openbaar lager onderwijs gegeven. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezigt der overheid, en bovendien, voor zoover het middelbaar en lager onderwijs betreft, behoudens het onderwijs naar de bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers; het een en ander door de wet te regelen..."

Dit betekende: iedereen was vrij om scholen op te richten als men aan de voorwaarden voldeed, die de wet voorschreef. Dat laatste had betrekking op de inhoud (deugdelijkheid) van het onderwijs en de bekwaamheid en zedelijkheid van de onderwijzers. De staat is alleen financieel verantwoordelijk voor het openbaar onderwijs. Bijzondere scholen mochten uiteraard worden opgericht, maar het bestuur en de ouders waren verantwoordelijk voor de financiën. De inspectie controleerde dus ook het bijzonder onderwijs.

De uitwerking van de grondwettelijke onderwijsvrijheid is een langdurige en ook aangrijpende aangelegenheid geweest, want zij bracht rekenschap van alle levensovertuigingen en van alle tegenstellingen daartussen. Minister van Reenen (kabinet Van Hall-Donker Curtius) diende in 1855 een wetsvoorstel in, dat bij de doelstelling van het openbaar onderwijs nog slechts sprak van de 'bevordering van  godsdienst en zedelijkheid', en iedere aanduiding van een specifiek christelijk kenmerk achterwege liet. In de Memorie van Toelichting bij deze wet werd vermeld, dat 94000 kinderen geen enkele school bezochten. Tegen bovengenoemd wetsontwerp kwam buiten de Kamer veel verzet. Het leidde tot een adresbeweging, vooral in Friesland. Ook een aantal hervormde predikanten, met ds. O.G. Heldring als eerste onder-tekenaar, maakten in een adres bezwaar tegen het voorgestelde ontwerp. 'Wij mogen, moeten en wenschen op onze volksschool onbelemmerd gebruik des Bijbels, niet als schoolboek, maar als Boek, dat aan alle onderwijs klem en wijding geeft.’

Een 'gemengde' school voor alle kinderen van het Nederlandse volk zag men als een onmogelijkheid. Bij zoveel bezwaren wilde de Koning de wet niet bekrachtigen, ook al zou zij worden aangenomen. Hierdoor ontstond zo'n grote onenigheid in het kabinet Van Hall, dat het besloot zijn ontslag aan te bieden.

10.  De Lager-onderwijswet van Van Brugghen in 1857.

Onder het Kabinet Van der Brugghen (1856-1858) ontwierp mr. A.G.A. ridder van Rappard een wet tot regeling van het gewoon en het  meer uitgebreid lager onderwijs. We noemen deze wet: de wet Van Brugghen van 1857. De wet werd in de Kamer aangenomen met een aanzienlijke meerderheid van 47 tegen 13 stemmen. De tegenstemmers waren alle anti-revoltulionairen en zes van de twaalf rooms-katholieke leden. Bij de debatten heeft zich de fundamentele tegenstelling voorgedaan tussen Groen van Prinsterer en Thorbecke over betekenis en werking van het christendom in de natie. De gemeenten kregen de verplichting de kosten van het openbaar onderwijs te dragen. Het schoolgeld voor openbare scholen werd facultatief gesteld, wat weer ongunstig was voor de bijzondere scholen, die slechts met het heffen van schoolgeld in stand waren te houden. Wel bepaalde de wet, dat gemeenten en provincies, onder nader te stellen voorwaarden, subsidie konden geven aan bijzondere scholen, maar deze moesten dan toegankelijk zijn voor alle kinderen, zonder onderscheid van godsdienstige gezindte. Groen van Prinsterer, de volhardende bestrijder van de gemengde openbare scholen, nam na aanvaarding van deze wet onmiddellijk zijn ontslag als kamerlid: er was, meende hij, verraad gepleegd aan de christelijke beginselen. In de Lager-onderwijswet van 1857 kwamen de onderwijzersrangen te vervallen. Wel kende de wet nu hoofdonderwijzers, hulponderwijzers en kwekelingen met een minimum van F 25,- per jaar. De wettelijke regeling van het bewaaronderwijs is buiten de wet van 1857 gebleven. Bij de wet van 1857 werden de vakken Aardrijkskunde, Geschiedenis en Natuurkunde verplicht. Dit heeft geleid tot de productie en introductie van schoolplaten in het onderwijs om de aanschouwelijkheid in het onderwijs gestalte te geven.

11.  Het stichten van bijzondere scholen...

Na 1857 werden steeds meer bijzondere scholen opgericht, omdat deze na de nieuwe Grondwet van 1848 en het tot stand komen van de schoolwet-Van der Brugghen zonder overheidstoestemming konden worden gesticht.  Van overheidssubsidie was toen echter nog geen sprake. Daarnaast ontstonden er ook enkele landelijke organisaties ten behoeve van het christelijk onderwijs. In 1854 werd de 'Vereeniging vanChristelijke Onderwijzers' opgericht. In 1860 werd 'De Vereeniging voorChristelijk Nationaal Schoolonderwijs' (CNS) opgericht, waar Groen van Prinsterer jarenlang erevoorzitter van is geweest.Het doel van deze vereniging was geld bij elkaar te brengen om bijzondere scholen te kunnen oprichten. Bij deze organisatie sloten zich met name 'gemengde scholen' aan, d.w.z. scholen waarvan  de stichters c.q. beheerders tot meer dan één kerkelijke richting behoorden. De 'Vereeniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs', opgericht in 1868, omvatte voornamelijk gerefor-meerde scholen. In 1890 richtten de Hervormden de 'Vereeniging voor Christelijk Volks-onderwijs' (CVO) op, die een verzamelpunt werd voor specifiek hervormde scholen. Ondanks deze kerkelijke verdeeldheid streden hervormden en gereformeerden samen verder voor de bijzondere christelijke school. Opvallend is wel, dat de Gereformeerden de eersten waren, die scholen met de bijbel stichtten; de Hervormden kwamen later of pas na de gelijkstelling in 1920. Wat de bestuursvorm betreft, waren er aanvankelijk de volgende typen scholen:

1.  scholen, uitgaande van een kerk, de zgn. kerkenraadsscholen.

2. scholen, bestuurd door ouders, de zgn. associatie-scholen.

Iedere school heeft zijn eigen geschiedenis. Deze geschiedenissen zijn alle beschreven in de talloze herdenkingsboekjes t.g.v. 75-, 100- of 125-jarige bestaan. Bij de oprichting van de eerste Chr. scholen was het vaak een kerkenraad die het initiatief nam tot de oprichting van een School met den Bijbel. Zo werd het bekende Volkspetitionnement ook ondertekend door 306 Hervormde en 108 Gereformeerde Kerkenraden. Er was een grote offerbereidheid bij ouders en voorstanders van het chr. onderwijs. Voordat de eiogenlijke bouw een feit was, werd er vaak een "Vereniging tot stichting en instandhouding van een school met de Bijbel" opgericht of een Steunstichting. Deze Vereniging of Stichting zorgde voor fondswerving en bereidde de bouw van de school voor. Voor de bouw werd vaak grond aangekocht van warme voorstanders tegen billijke prijzen of renteloos geleend. Als de scholen eenmaal waren gesticht, zorgen Suppletiefondsen, dat ook arme gezinnen het schoolgeld konden betalen.   De volgende zorg voor het Bestuur was het vinden van een geschikt Hoofd der School. Het tractement werd vaak met dubbeltjes en kwartjes bijééngebracht en niet altijd op tijd uitbetaald. Vanaf 1889 betaalde het Rijk een minimaal bedrag t.b.v. het salaris van leerkrachten en moest het Bestuur dus nog een aanzienlijk bedrag aan salariskosten uit eigen middelen bijpassen. Een betrekking bij het Openbaar Onderwijs betekende rond 1905 een salarisverhoging van 50%.  

12. Het wezen van de openbare school in de 18e en 19e eeuw …


Zoals we reeds zagen, ontwikkelde de openbare school zich geleidelijk in neutrale richting. Op veel openbare scholen verdween de bijbel uit het lesprogramma. Hoe deze ontwikkeling is gegaan, beschrijft dr. D. Langedijk in zijn boek "Geschiedenis van het Prot. Chr. Onder-wijs" als volgt:
" Tijdens de Republiek was het karakter van de openbare school der 17e eeuw over het algemeen positief Gereformeerd. Dit veranderde in de 18e eeuw, toen het rationalistisch Deïsme zijn invloed deed gelden op de kerk en haar leiders, maar ook op de schoolmeesters van die tijd. Dit Deïsme, ook wel Supra-naturalisme genoemd, zette zich voort in de 19e eeuw en gaf aan de openbare school een algemeen-christelijk cachet.  
Deze geestesrichting was alleszins vroom, eerde de Bijbel en gaf hoog op van de voordelen van het Christendom. Maar men wilde begrijpen vóór men iets gelovig aanvaardde. De Drieëenheid verwierp men, de rechtvaardigmaking beschouwde men als uitwendige toerekening van de gerechtigheid van Christus. Het was een populaire godsdienstleer, die God veranderde in het Opperwezen, Christus in een leraar, de mens in een verstandswezen, zonde in zwakheid, bekering in verbetering, heiligmaking in deugd. Voor de aanhangers van deze richting was het een belangrijke vraag welke plaats de Bijbel in de openbare school moest innemen. En in verband met de wet van 1806 zouden we haar ook zo kunnen stellen: Mag de Bijbel daar wel een plaats innemen?  De secretaris van staat meende van wel, waarop de schoolopziener Ds H. Visser  een circulaire bij de onderwijzers in zijn district rond zond, waarin hij aandrong op het geven van Bijbelse geschiedenis.  Nieuwold dacht er evenzo over als zijn collega. Maar hij wilde niet de Bijbel op de school, doch leesboekjes met Bijbelse verhalen. Een derde predikant-schoolopziener, J. Teissèdre l'Ange, was van oordeel, dat  het Christelijk gebed en gezang, de Bijbelse geschiedenis, het leven van Jezus en het lezen van vele gedeelten van de Bijbel nog altijd behoorde tot het gewone onderwijs op de openbare scholen. De invloedrijke prof.dr. Th. van Swinderen, schoolopziener te Groningen, zond in 1815 een circulaire aan de onderwijzers, waarin hij de wenselijkheid uitsprak, dat zij iedere morgen enige verzen uit de Bijbel zouden lezen, terwijl op vrijdag-middag door de meestgevorderde en braafste kinderen één of twee geschikte hoofdstukken konden worden voorgelezen. Om hierin leiding te geven, zond hij aan de onderwijzers-gezelschappen een lijst van door hem uitgezochte Schriftgedeelten. (....) Wanneer wij letten op deze drang om de Bijbel te gebruiken, zouden wij zeggen, dat er nog wel  het een en ander aan ontbroken zal hebben. En dat was ook zo. Reeds in de eerste decenniën van de 19e eeuw  begon het proces, dat zou eindigen met een school zonder de Bijbel. Van Swinderen moest in 1821 getuigen, dat men op vele plaatsen in Groningen van misbruik van de Bijbel was gekomen tot onbruik. En de afdeling Zaandam van het Bijbelgenootschap vroeg in 1819 of er niets gedaan kon worden 'teneinde het gebruik des Bijbels in de lagere school meer algemeen te maken.'  Er waren natuurlijk wel onderwijzers, die godsdienst-onderwijs gaven, maar gewoonlijk niet in Calvinistische geest. Het supra-naturalistische zuurdesem werkte ook onder hen. Zij gebruikten dan ook meer de Bijbelse verhalen dan de Bijbel zelf. En de schrijvers van deze vertellingen behoorden tot dezelfde richting als zij. "

Aan de andere kant werd de neutraliteit van de openbare school aangepast aan de plaatse-lijke omstandigheden. Had een bepaalde plaats een overwegend hervormd karakter, dan droeg de openbare school ter plaatse in de praktijk een hervormd karakter en werd er op school wel gebeden, uit de bijbel gelezen en christelijke liederen gezongen. Hiervan noemen we twee voorbeelden, nl. Garderen en Putten (Veluwe) en Den Hoorn (Zd.-Holland). In Garderen en Putten  veranderden de openbare school in 1923 van openbaar in hervormd. In Den Hoorn werd de openbare school vóór 1922 voornamelijk bevolkt door protestantse en rooms-katholieke kinderen. Na de financiële gelijkstelling (1920) werd op 1 oktober 1922 de openbare school opgeheven. De katholieke kinderen gingen naar de nieuwe Mariaschool in de Schoolstraat. De protestantse kinderen bleven in het gebouw van de openbare school, dat toen een protestants christelijke school werd. 
 
En zo heeft iedere stad en elk dorp in Nederland zijn eigen onderwijsgeschiedenis, een geschiedenis die nauw samenhangt met de kerkgeschiedenis ter plaatse.
Hoewel het Bijzonder onderwijs voor een groot deel door de ouders zelf moest worden bekostigd, moest het wel voldoen aan de wettelijke eisen.

13. Enkele voorbeelden in het land…

In Maassluis waren de hervormde kinderen tot 1907 'bij de gereformeerden geherbergd'. Maar in 1907 hadden de hervormden een eigen school. In het herinneringsboekje "Ministerde Visserschool anno 1925" lezen we, dat bij de opening van de eerste Hervormde school de gereformeerden wel bedankt werden voor deze 'herberging'. Bij de start van die eerste Hervormde school in april 1907 waren er 236 leerlingen voor de l.o.-afdeling en 25 voor de m.u.l.o.-afdeling. Van al die kinderen waren er maar twee niet hervormd; dat was geen bezwaar, want in artikel 2 van de statuten had de vereniging die mogelijkheid uitdrukkelijk opengelaten: 'Terwijl de vereniging hoofdzakelijk zich ten doel stelt te zorgen voor degelijk christelijk onderwijs ten behoeve van kinderen der hervormde gemeente te Maassluis, kunnen zoveel de plaatsruimte dit toelaat, ook kinderen, die niet tot de Ned. Hervormde Kerk behoren tot de door de vereniging op te richten school (of scholen) worden toegelaten; hiertoe wordt echter de toestemming van het bestuur vereist.' 

In Epe op de Veluwe pakte men het beter aan. Daar was in 1904 een Chr. school gesticht door de Gereformeerde kerkenraad. Omdat in de loop der jaren steeds meer Hervormde ouders hun kinderen toevertrouwden aan de Gereformeerde school, besloot het bestuur om zich aan te sluiten bij de 'Ver. voor Chr. Nationaal Schoolonderwijs’ (C.N.S.). De grondslag van de school werd hierdoor positief-Christelijk zonder kerkelijk etiket.
In's-Gravenzandewordt in februari 1875 de eerste Chr. School geopend aan de Pieter Heussstraat. De school is deels gebouwd met aangespoeld hout op het 's-Gravenzandse strand. Het is een Gereformeerde School. Pas in 1903 wordt de eerste Hervormde School geopend, de ds. A. van der Geestschool.
In de Meije (bij Bodegraven) wordt in 1907 een School met de Bijbel geopend. Enkele maanden later volgde de Rooms-Katholieke School. De oprichting van beide confessionele scholen betekende een ware aderlating voor het openbare onderwijs in de Meije. Het leerlingenaantal was binnen de kortste keren gedecimeerd. In 1927 zaten er nog slechts 4 leerlingen op de openbare school. Ondanks felle discussies in de gemeenteraad en een proces van de vader van de vier overgebleven kinderen moest de openbare school in 1928 worden verkocht.

Heel bijzonder is de geschiedenis van het chr. onderwijs in Gorinchem. Op 30 september 1857 startte in Gorinchem de eerste christelijke school. Het bestuur van deze school was de Schoolcommissie van de Chr. Afgescheiden Gemeente van Gorinchem. Het eerste hoofd der school was de heer Van Kluijve. "Zijn" school bloeide zo goed, dat de stadsbestuurders de verbetering van het openbaar onderwijs krachjtig gingen aanpakken. Zo werd Van Kluijve het slachtoffer van zijn eigen succes. Van Kluijve kon met zijn niet-gesubsidieerde onderwijs op den duur niet zo goed meer concurreren met de openbare school, die haar financiële middelen van de gemeente Gorinchem ontving. Van Kluijve pakte daarom in 1870 zijn biezen. Na hem werd J.A.G. de Waal hoofd der school. Deze zag er na 6 jaar ook geen brood meer in. Hij werd opgevolgd door Arie Bloot. Meester Bloot zou voor de komende jaren 44 jaar bepalend zijn voor het chr. onderwijs in Gorinchem. In 1880 zag zelfs de Schoolcommissie van de Chr. Geref. Kerk het ook niet meer zitten, omdat het instand houden van een chr. school financieel niet meer was op te brengen. De Schoolcommissie hief zichzelf op en liet de school aan haar lot over. Toen kwam de grote verdienste van meester Arie Bloot: hij liet de school niet vallen, maar werkte 11 lange jaren voor eigen rekening door. Dat betekende: weinig geld voor leermiddelen en nòg minder of soms zelfs geen geld voor zijn eigen levensonderhoud. Bloot leefde van wat men hem schonk. De chr. school werd onder werkelijk erbarmelijke omstandigheden in stand gehouden. Maar na de Doleantie en het ontstaan van de Geref. Kerk werd op 29 september 1891 de "Vereeniging tot Stichting en Instandhouding van Scholen met de Bijbel" opgericht. Deze Vereniging van Gereformeerden en Hervormden nam de zorgen voor de school van meester Bloot over. Zij nam de school en ook de hoofdonderwijzer en ander personeel over.

14. De Maaslandse situatie…

Hoewel we niet weten, waar de School in de 17e en 18e eeuw in Maasland heeft gestaan, weten we wel dat in 1840 een nieuwe openbare school met onderwijzerswoning wordt gebouwd aan het Kerkplein. In het boek van B.J. Post lezen we: ‘Het oude schoollokaal, waarin de ons bekende meesters gedoceerd hadden, was te klein geworden, en in 1841 verrees de huidige openbareschool…’ Het gebouw bestaat nog; het notariskantoor is er sinds 1985 in gevestigd. De school had een goede naam en er werd goed onderwijs gegeven. Ook in de buurt Burgersdijk bezat de gemeente een kleine school met woning voor de onderwijzer. Bij de grensregeling met De Lier werd de school hier echter opgeheven. Aanvankelijk liep de school goed tot in 1866 de eerste christelijke school gesticht werd, in 1890 gevolgd door een rooms-katholieke school en in 1894 door een hervormde school. In 1895 bedroeg de openbare school nog maar 25% van het totale leerlingenbestand. Tot 1899 werd hier ook nog avondschool gehouden, waar Frans, Duits en Wiskunde werd onderwezen. Het baatte niet.

Het aantal leerlingen van de openbare school daalde gestaag. Op 1 januari 1930 telde de openbare school nog 26 leerlingen. Met het nieuwe jaar voor de boeg, meldden Burge-meester en Wethouders op 13 augustus dat er slechts 7 kinderen waren ingeschreven.  

B & W stelden dan ook voor de school op te heffen. Na een verzoek aan Hare Majesteit om af te wijken van het in stand houden van een openbare lagere school, zoals gesteld in de Wet op het Lager Onderwijs van 1920, werd de school per 1 oktober 1930 opgeheven. Het zou veertig jaar duren voordat er weer een openbare school in Maasland zou komen.

Aan het eind van de 60-er jaren van de vorige eeuw nam een aantal ouders het initiatief om een nieuwe openbare school op te richten. Die ouders waren ontevreden over het verouderde onderwijssysteem en wilden een nieuwe openbare school voor hun kind. Via artikelen in de plaatselijke krant en huis-aan-huis verspreide aanmeldingsformulieren werd de school gepromoot. Er moesten minstens 50 leerlingen aangemeld worden om te mogen beginnen. Al snel werd het aantal van 64 bereikt. Midden in de weilanden aan het Doelpad werd de nieuwe school gebouwd, in beginsel waren het een paar houten klaslokalen. In 1970 werd de school in gebruik genomen met drie leerkrachten. De Nederlands Her- vormde school aan de Hildegaarde ‘verloor’ 30 leerlingen aan de nieuwe openbare school. Dat bood enig soulaas, omdat die school rond 1970 300 leerlingen moest bergen. De school kreeg de naam “De Schutse”. In 1973 volgde uitbreiding met een kleuterschool, die de naam ‘De Schuttertjes’ kreeg. Al binnen enkele jaren was “De Schutse” niet meer weg te denken uit Maasland. Het houten schoolgebouw aan het Doelpad werd echter al spoedig te klein en ongeschikt. In 1986 vond de verhuizing plaats naar een nieuw modern schoolgebouw aan de Meester Postlaan. Een plaats midden in het dorp naast de Aloysiusschool. Met een kas en de vurig gewenste schooltuin. Vóór de invoering van de Wet op het Basisonderwijs werd “De Schutse” door de minister aangewezen als ‘voorbeeld-school’ om voor andere scholen als voorbeeld te dienen in hun streven een basisschool te worden voor leerlingen van 4- 12 jaar. De school kreeg landelijke bekendheid door de T.V.- serie over de nieuwe basisschool in 1985.

15. De eerste School met de Bijbel…

Rond 1850 was ds.Hermsen predikant in de Ned. Hervormde Kerk. Deze predikant behoorde tot de ‘nieuwlichters’  in de Ned. Hervormde Kerk. Velen kwamen niet meer bij hem in de kerk en kerkten elders. Ook lieten veel ouders hun kinderen niet dopen bij deze predikant, omdat hij slechts een deel van het doopformulier voorlas. Ook werden er in die tijd thuisdiensten gehouden. Na het overlijden van ds. Hermsen werd Dr. Ph.S. van Ronkel dienaar des woords in Maasland. Deze predikant diende de gemeente van 1861 – 1866. Hij was, net als zijn grote voorbeeld Isaäc da Costa, een bekeerde jood. In het gedenkboekje ‘Wij zullen het niet verbergen’, uitgegeven t.g.v. het 60-jarig bestaan van de Geref. School, lezen we:

“Dr. Van Ronkel, klein van persoon, maar vurig van geest, gewapend met een doorborende blik, wist de gemeente des Heeren te leiden in de grazige weiden van Gods Woord. Met klimmende ernst in predikatie en huisbezoek, wekte hij steeds sterker de overtuiging omtrent de noodzaak van het stichten eener Chr. School. Op Zondag 9 juli 1865 was het, dat Dr. Van Ronkel tot tekst had: 2 Timotheus 3 : 14 en 15, naar aanleiding waarvan spreker de gemeente voorhield, dat de Chr. opvoeding ten eerste is: een behoefte voor de jeugd; ten tweede: de plicht der ouders, en tenslotte: de roeping der gemeente”.

Dr. Van Ronkel behoorde tot de rechtzinnige predikanten in de Ned. Hervormde Kerk en was in 1872 één der eerste redacteuren van Abraham Kuijpers’ blad ‘De Standaard’.

De preek sloeg in en op de dinsdagavond daarna werd er al een vergadering belegd in de Kerkenraadskamer der Ned. Hervormde Kerk, waarbij 30 personen aanwezig waren. Tijdens deze vergadering werd een voorlopige commissie benoemd, die de oprichting van een chr. school moesten voorbereiden. De commissie verspreidde een circulaire in de gemeente met een intekenlijst voor de stichting van een Chr. School. Er tekenden 71 ouders uit Maasland, maar ook buiten de gemeente zegden vele mensen financiële steun toe. Er werd een definitief bestuur gekozen van 8 leden, waaruit S. van der Kooij gekozen werd als eerste voorzitter. Bouwgrond werd verkregen van de rentmeester-generaal der Duitse Orde en op 24 novermber 1865 werd de bouw van de school met onderwijzerswoning gegund aan Jacobus van der Vlis, timmerman te Vlaardingen voor de som van F 5280,=  Op 13 maart 1866 werd de eerste steen gelegd door Jacobus van der Kooij, zoon van de voorzitter. Op 2 augustus 1866 werd de school aan de Doelstraat  in gebruik genomen met 79 leerlingen. Als eerste hoofd der school werd benoemd: de heer W. d’Ankona, die reeds op 10 augustus 1867 al weer ontslagen werd, omdat hij niet handelde naar de instructies van het bestuur. Meester d’Ankona werd opgevolgd door de heer J.H. Dijkman uit Dordrecht. Deze trad op 3 augustus 1868 in functie en leidde de school gedurende de eerste 20 jaar. Reeds in 1869 was de schoolpopulatie gegroeid tot 125 leerlingen. Er moest een extra lokaal bijkomen. Geld voor deze verbouwing was er niet. Er werd een schot geplaatst in een lokaal. De kosten (Fl. 147,21) werden betaald door het hoofd der school, de heer J.H. Dijkman en het bestuur. In 1872 kwam er een derde lokaal bij èn een naaikamer.

16. Het R.K. onderwijs…

Pastoor Schlüter werd in 1884 pastoor in Maasland. Hij vatte het denkbeeld op een nieuwe kerk te stichten en volvoerde het ook.  Het nieuwe gebouw werd ontworpen door de heer E.J. Margry naar het plan van de R.K. Kerk te Zoetermeer. Op 1 juni 1886 had de eerste-hoeksteen-legging plaats door de Hoogeerwaarde Deken van Delft, mgr. H.L. Spoorman. Ruim een jaar later was het gebouw klaar en kon het bedehuis op 11 juli 1887 door Z.D.H. Mgr. C.J.M. Bottermanne, bisschop van Haarlem geconsacreerd worden. Nauwelijks was het nieuwe kerkgebouw gereed, of pastoor Schlüter maakte plannen tot stichting van een R.K. Parochiale school. Hiervoor moest geld gevonden worden, im-mers de overheid was toen nog niet bereid om in de kosten van een ‘bijzondere school’ bij te dragen. Door de pastoor werd een fonds gesticht en definitieve plannen ontwik-keld. De parochianen schonken belangrijke bedragen en één van hen stond een stuk weiland af aan de Kerkweg bij Huis ter Lucht. Op 1 janu-ari 1890 was de bouw gereed. Na de plechtige inwijding der school op 14 januari 1890 kon meester B.J. Post met het onderwijs beginnen aan 47 leerlingen. De school bevatte twee leslokalen en een gang met 4 wc’s. Direct naast de school was het woonhuis van de hoofdmeester.  De kinderen leerden er schrijven en rekenen met een griffel op een lei. Pas in de derde klas kreeg je een schrift, een pen en een inktpotje. Er hingen olielampen in het lokaal. Een grote kolenkachel zorgde voor de warmte. Veel kinderen woonden ver weg en kwamen lopend op hun klompen uit de Zuidbuurt, Duifpolder of de Oost- en Westgaag. Overblijven gebeurde bij de families Ammerlaan en Van Mil aan de overkant op de Kluiskade.

Het stichten van bijzondere scholen past geheel in het kader van de Schoolstrijd. In deze Schoolstrijd streden Protestanten (Antirevolutionairen en Chr. Historischen) zij aan zij met Rooms Katholieken (R.K. Staatspartij) om financiële gelijkstelling te verkrijgen voor bijzondere scholen. Om dit doel te bereiken vormden de Antirevolutionairen  (Abraham Kuyper)  in 1888 een coalitie met de R.K. Staatspartij, waarvan dr.H.Schaepman de leider was.

Meester Post was tevens kassier van de Boerenleenbank. Naast deze dubbelfunctie en de zorg voor zijn grote gezin (15 kinderen) zag hij kans nog verschillende boeken te schrijven. Er werd kantoor gehouden in de huiskamer van meester Post, die F 10,- per jaar vergoeding kreeg voor ‘vuur en licht”. Als kassier ontving hij een jaarwedde van F 50,=. Openingstijd van de bank: alleen op vrijdagavond van 19.00 – 20.00 uur.

In 1921 werd door het kerkbestuur besloten een nieuwe school te bouwen en wel in de buurt van de katholieke kerk, aan de Kerklaan. Op 15 juni 1921 werd de eerste steen gelegd door Pastoor A.H. Hammer. Deken De Graaf uit Delft wijdde op 15 december van datzelfde jaar de nieuwe school en gymna-stiekzaal plechtig in. Hierdoor kon de  Boerenleen-bank in het oude schoolgebouw gevestigd worden tot 1965.  Inmiddels was meester Post in 1923 met pensioen gegaan en in zijn plaats werd G.A. van Oorschot, met de koets uit Den Haag gekomen, benoemd tot hoofd van de school. Na zijn pensionering verhuisde Post naar Delft, waar hij op 7 januari 1931 overleed. Meester Post was een ‘bekende Maaslander’, hetgeen ook blijkt uit de Meester Post-laan, die naar deze schoolmeester is vernoemd. De 2 e R.K. school, die de naam ‘St. Aloysiusschool’ kreeg, is tot 1976 in gebruik geweest. In de oorlogsjaren heeft de school te maken gehad met inkwartiering van Duitse soldaten en in de hongerwinter is de school noodgedwongen enige tijd gesloten geweest. In 1953 moest de school verbouwd worden en kwamen er twee nieuwe lokalen bij. Het aantal leer-lingen was inmiddels flink gegroeid. In 1937 werd door pastoor Halkes de invoering van de dagelijkse schoolmis voor de kinderen ingevoerd, waarbij ook het personeel aanwezig diende te zijn. Zoals overal was de invloed van de kerk erg groot. Toen het gebouw begin jaren zeventig van de vorige eeuw gebreken begon te verto-nen en te klein werd, werd aan de gemeente medewerking gevraagd om een nieuw gebouw te mogen neerzetten, waarin naast de lagere school ook de kleuterschool geïntegreerd zou worden. Op 8 oktober 1976 stapten de leerlingen van de ‘Sint Aloysius-school’ het gloedvolle gebouw binnen dat was verrezen aan de Kluisweer: de ‘Aloysiusschool’.

17. De Doleantie…

De Doleantie is de benaming van een kerkscheuring die in 1886 plaatsvond onder leiding van de al eerder genoemde dominee Abraham Kuyper. Rond 1840 kwam de Ned. Hervormde Kerk steeds meer onder invloed van de Verlichting. Ideeën van de moderne theologie en de Groninger Richting kwamen de kerk binnen en in de jaren daarna ontstonden er twee groepen in de Ned. Hervormde Kerk: de modernen en de orthodoxen.  Dit gaf steeds meer strijd in de kerk tussen gemeenteleden, een strijd tussen vrijzinnigen en rechtzinnigen. De Doleantie was het resultaat van een langdurig conflict binnen de Ned. Hervormde Kerk. Er was al eerder een Afscheiding geweest in de Ned. Hervormde Kerk, nl. in 1834, toen de Groninger predikant ds. Hendrik de Kock de kerk verliet met een groot deel van zijn gemeente. Ook toen was in Maasland  een groep gemeenteleden uit de Hervormde Kerk gestapt om vervolgens een eigen kerk te stichten aan de Lange Taan: de Chr. Gereformeerde Kerk.  De Doleantie was de grootste afscheiding van de Ned. Hervormde Kerk in de 19 e eeuw. Tijdens de Doleantie verlieten aanzienlijk meer kerkleden de Hervormde Kerk dan tijdens de Afscheiding het geval was geweest. (resp. 10% en 1%) De Dolerenden noemden zich de Nederduits Gereformeerde Kerk. Later verbonden zij zich met de Chr. Gereformeerden (de Afgescheidenen) en vormden de Gereformeerde Kerk.

18. De Doleantie in Maasland en de gevolgen voor het Prot. Chr. Onderwijs…

De Doleantie is Maasland niet voorbijgegaan. Het tijdperk 1888 – 1891 vormt een donkere bladzijde in de geschiedenis van Maasland. Onderlinge twist tussen gemeenteleden en scheiding der geesten. De Hervormde Kerk in Maasland telde in die jaren zo’n 2000 leden. Ruim 700 leden verlaten de kerk. Ze worden ‘dolerend’ genoemd. Zij bouwen in 1889 een eigen kerk aan de Doelstraat. Het grootste deel van de toen zittende bestuursleden en ouders van de Chr. School is de doleantie toegedaan. Omdat er geen enkele organi-satorische binding met de Ned. Hervormde Kerk bestaat, gaat de Christelijke School met de dolerenden mee en wordt dan in 1888 de Gereformeerde School.  De kerkenraad der Ned. Hervormde Kerk doet nog een poging om de christelijke school in de schoot van de moederkerk terug te laten keren. Tevergeefs. Door de achterblijvende leden in de Ned. Hervormde Kerk en door enkele bestuursleden wordt dit “meenemen” van de school door de dolerenden als een coupe ervaren.

De Hervormde kinderen hadden geen school meer en moesten noodgedwongen naar de openbare school. Die school kende in die jaren een niet mis te verstane groei. De kerkenraad der Ned. Her-vormde Kerk deed nog pogingen om de eigen kinderen godsdienstonderwijs op de openbare school te geven. De mening van de Hervormden is duidelijk: er moet een eigen school komen. Maar dan wel één, waarmee een herhaling van de gebeurtenissen van rond 1888 wordt voorkomen. Het moest een school worden met een duidelijke binding aan de Hervormde Kerk: een kerkenraadsschool.

Ds. J.A. de Vlieger neemt het voortouw in 1892 en stelt aan de kerkenraad voor een hervormde school te stichten. Er wordt een commissie ingesteld van vijf mannen om de nodige voorbereidingen te treffen en de school te realiseren. Deze werkers van het eerste uur hebben zich een jaar beij-verd om een Reglement voor de school op te stellen, waarin in verschillende artikelen het beslist kerkelijk karakter der school wordt vastgelegd. Het wordt een automatisme dat de predikant tevens voorzitter van het schoolbestuur is. Het bestuur koopt grond aan in de Vleeresteeg van weduwe Kalisvaart. Mede door grote opofferings-gezindheid van Hervormde lidmaten wordt de financiering mogelijk gemaakt. Aannemer van de Vlugt mag de school bouwen. Kosten: F 5275,= .  Op 3  januari 1894 wordt de school plechtig ingewijd. Er zijn 88 kinderen. Het eerste hoofd der school wordt de heer C.V. Noppen, die de school gedurende 5 jaren zal leiden.

19. Hoe het verder ging met de scholen…

Het gebouw van de Gereformeerde school werd al spoedig te klein. De school groeide door en kwam zo vol te zitten, dat enkele ouders het verzoek kregen hun kinderen dat jaar niet naar school te sturen. Gelukkig werd dit probleem snel opgelost toen er in november 1910  2000 meter grond gekocht kon worden van de Duitsche Ridderlijke Orde als bouwterrein achter en naast de Gerefor-meerde Kerk. De bouwkosten bedroegen Fl. 11.520-,= De nieuwe school met 4 lokalen werd op 4 oktober 1911 in gebruik genomen. De nieuwe school lag in die tijd helemaal aan het eind van de Doelstraat en grensde direct aan de weilanden van de Commandeurspolder. Naast de school lag het Doelpad, waarover de kinderen van de Kwakelweg en uit de Duifpolder naar school gingen. In 1931 werd het Doelpad met tegels belegd, één tegel breed (40 cm). Toen het pad verhard was, hoefde de gemeente geen klompengeld meer te betalen voor schoolkinderen, die in de polder woonden op een afstand van meer dan 4 km van de school. In 1951 werden er twee lokalen bijgebouwd en 8 jaar later werden er alweer twee lokalen bijgebouwd aan de andere zijde van de school. In juni 1968 werd de school echt ingrijpend verbouwd en verloor het gebouw het karakteristieke middenstuk. Tevens werden er toen drie lokalen aangebouwd. In 1975 kreeg de Gereformeerde School een eigen naam: “Klim-op”. In 1977 werd er een hal aan de school gebouwd. De laatste verbouwing dateert uit 1987. In het kader van de basisschool kwamen de kleuters erbij in en werd het een school voor kinderen van 4 – 12 jaar.

De Hervormde School aan de Vleeresteeg groeit gestaag. In 1947 stemt de gemeenteraad in met het voorstel tot verbouwing van twee lokalen tot één gymzaaltje. Reeds vóór de oorlog was in ’t bestuur vaak gesproken over de wenselijkheid de oude Stationsstraat te verlaten. Acht jaar nà de oorlog wordt over dit onderwerp het eerste contact met Burgemeester en Wethouders gelegd en wordt het gebouw tegelijkertijd door de Rijksinspecteur afgekeurd. Begin 1957 wordt de bouwaanvraag ingediend. Vanwege een scholenbouwstop en bestedingsbeperking duurt het nog tot 13 oktober 1958 voor de eerste paal in ’t laaggelegen weiland aan de Hildegaarde wordt geslagen. De bouw wordt uitgevoerd door de firma Lievaart en Pool naar een ontwerp van het architectenbureau Dijkerman en Swemle  voor een bedrag van Fl. 300.000,=  Begin maart 1960 werd het gebouw in gebruik genomen. Na opening en feestelijkheden kon men lovende verslagen lezen in de pers, z.a.:

“Aan de Hildegaarde is een school verrezen welke een unicum in ons land genoemd kan worden wat betreft de bouw en de vorm. De school is gebouwd in een T-vorm, d.w.z. in alle lokalen zon en licht. Er zijn zes lokalen, drie beneden en drie boven (waaronder een handenarbeidlokaal); elk met een capaciteit van 45 leerlingen, een ruime hal, een hoofdenkamer, een ruime speelplaats met rijwielstalling..”

Het nieuwe gebouw kan al gauw de aanzwellende stroom leerlingen niet aan. Het werklokaal moet gebruikt worden als gewoon leslokaal en de hal als handvaardigheids- en overblijf-ruimte. In 1966 verschijnen er twee noodlokalen op het schoolplein.  Op 27 maart 1975 wordt tijdens een kinderfeest de nieuwe naam van de school onthuld. Via een prijsvraag is de naam “’t Spreeuwenest” als beste uit de bus gekomen. De motivatie van de jury destijds begint met de woorden:

“Krijgen Maaslanders niet vaak de bijnaam “Spreeuwen” en kwetteren deze vogels – net als kinderen – er niet druk op los?”

In 1985 moeten kleuter- en basisscholen geïntegreerd worden tot de basisschool. Evenals bij de andere basisscholen wordt ook hier in 1988 een kleuterafdeling aangebouwd met 3 lokalen.

20. Besturen Prot. Chr. Scholen vinden elkaar in 1977…

Een voor beide chr. scholen wezenlijke verandering voltrekt zich in het jaar 1977. De besturen van de Ned. Hervormde School “’t Spreeuwenest” en de Gereformeerde School “Klim-op” en de besturen van de beide chr. kleuterscholen “De Woelige Halte” en ”’t Doelpunt “ fuseren tot één bestuur. De Vereniging voor Chr. Onderwijs te Maasland wordt opgericht. De scholen worden losgekoppeld van de kerken en gaan verder als Prot. Chr. Scholen.

21. Grote veranderingen na de eeuwwisseling…

En dan gaan de ontwikkelingen snel. In het kader van schaalvergroting en efficiëncy komen de beide chr. scholen op 1 augustus 2004 onder het bestuur van de Stichting Prot. Chr. Primair Onderwijs Westland. Onder dit bestuur vallen 16 scholen in het Westland. De Lokale Besturen blijven voorlopig bestaan, maar verliezen hun bevoegdheid en worden in de loop van de jaren alle opgeheven. Deze schaalvergroting had een half jaar eerder plaatsge- vonden onder de openbare scholen in het Westland en Midden-Delfland, die onder de Stichting Openbaar Onderwijs Westland kwamen te vallen.

In 2008 fuseren “Klim-op” en “’t Spreeuwenest”  tot één basisschool. De fusieschool wordt gehuisvest in een prachtig nieuw gebouw aan de Doelstraat, dat bestaat uit 14 lokalen, een speellokaal, een handenarbeidruimte en een grote hal. Daarnaast zijn er in dit gebouw aparte ruimten voor Remedial Teacher, bouwcoördinatoren en Intern Begeleiders.

Met de inrichting van dit nieuwe schoolgebouw wordt volledig rekening gehouden met de nieuwe inzichten in het basisonderwijs, waarbij het klassikale onderwijs wordt vervangen door groepsonderwijs en waarbij begrippen als leerlingvolgsysteem, zorgverbreding, adaptief onderwijs, dyslectieprotocol, pestprotocol en protocol begaafde leerlingen hun intrede in  het onderwijs hebben gedaan. De nieuwe school krijgt de naam ”De Groene Oase”. Op 27 oktober 2008, na de herfstvakantie, wordt het nieuwe gebouw betrokken door de leerlingen van “Klim-op” en “’t Spreeuwenest”: 360 kinderen. De inéénschuiving van beide scholen in de praktijk verloopt zonder problemen. Alleen het mengen der klassen levert bij menig ouder problemen op. Maar de tijd heeft hier ook de scherpe kantjes van afgehaald.

Omdat het nieuwe gebouw op de plek van de “Klim-op” wordt gebouwd, worden de leer-lingen van de “Klim-op” gedurende het schooljaar 2007-2008 ondergebracht in een noodgebouw aan de Baanderheer bij de tennisbaan.

Begin 2009 wordt het gebouw van “’t Spreeuwenest” afgebroken. Een kaal stuk grond, nu ingericht als speelterrein, herinnert ons nog aan het gebouw, waarin gedurende 50 jaar vele Maaslandse kinderen hun eerste onderwijs genoten hebben.  De R.K. basisschool ‘Aloysius’ sluit zich echter niet aan bij een groter regionaal bestuur. Deze school blijft een ‘éénpitter’, d.w.z. vallend onder één Maaslands bestuur.

 

                                                                 ***