De geschiedenis van het ontstaan van Scholen met de Bijbel, overal  in Nederland.

Inleiding.
Iedere school heeft zijn eigen geschiedenis. Deze geschiedenissen zijn alle beschreven in de talloze herdenkingsboekjes t.g.v. 75-, 100- of 125-jarig bestaan. Bij de oprichting van de eerste Chr. scholen was het vaak een kerkenraad die het initiatief nam tot de oprichting van een School met de Bijbel. Zo werd het bekende Volkspetitionnement ook ondertekend door 306 Hervormde en 108 Gereformeerde Kerken. Er was een grote offerbereidheid bij ouders en voorstanders van het chr. onderwijs. Voordat de eigenlijke bouw een feit was, werd er vaak een "Vereniging tot stichting en instandhouding van een school met de Bijbel" opgericht of een Steunstichting . Deze Vereniging of Stichting zorgde voor fondswerving en bereidde de bouw van de school voor. Voor de bouw werd vaak grond aangekocht van warme voorstanders tegen billijke prijzen of renteloos geleend. De volgende zorg voor het Bestuur was het vinden van een geschikt Hoofd der school. Het tractement werd vaak met dubbeltjes en kwartjes bijééngebracht en niet altijd op tijd uitbetaald. Er waren besturen, die het salaris van de leerkrachten voorschoten uit eigen zak, omdat het bestuur geen geld had om hen te betalen. Veel besturen hielden schoolschapen. Vanaf 1889 betaalde het Rijk een minimale bedrag t.b.v. het salaris van leerkrachten en moest het Bestuur dus nog een aanzienlijk bedrag aan salariskosten uit eigen middelen bijpassen. Een betrekking bij het Openbaar Onderwijs betekende rond 1905 een salarisverhoging van 50%.

Hieronder volgt een bloemlezing van de oprichtingsgeschiedenissen van Scholen met den Bijbel in ons land. Ik heb hier de geschiedenissen van het Christelijk onderwijs beschreven van de plaatsen, waar ik een lezing/presentatie  heb gehouden. Aangezien ik doorga met het houden van lezingen, zal ook dit hoofdstuk regelmatig worden uitgebreid met nieuwe historische feiten.

In Maasland gaat de School met de Bijbel uit 1866 in 1888 met de Dolerenden mee en  wordt dan een Gereformeerde School. De Hervormde kerkenraad sticht dan in 1894 een 'eigen' Hervormde School. De geschiedenis van het onderwijs in Maasland wordt elders op deze site uitgebreid beschreven.

In Epe op de Veluwe pakte men dit beter aan. Daar was in 1904 een Chr. school gesticht door de Gereformeerde kerkenraad. Omdat in de loop der jaren steeds meer Hervormde ouders hun kinderen toevertrouwden aan de Gereformeerde school, besloot het bestuur om zich aan te sluiten bij de 'Ver. voor Chr. Nationaal Schoolonderwijs (C.N.S.). De grondslag van de school werd hierdoor positief-Christelijk zonder kerkelijk etiket.

In Maassluis stichtte Mesjeu D. Van Dalen op 1 januari 1860 de eerste Christelijke School in een historisch pand aan de Zuidvliet. Hij stichtte deze school voor eigen rekening. Pas in 1879 werd in Maassluis de 'Vereniging voor Chr. Nationaal Schoolonderwijs' opgericht. Deze Vereniging stichtte een School met de Bijbel aan de Noordvliet en nam in 1892 de school met de Bijbel van Mesjeu Van Dalen over. Hoewel het geen kerkenraadsscholen waren, werden deze eerste scholen in Maassluis beschouwd als Gereformeerde scholen. In 1906 verhuisde de school aan de Zuidvliet naar een prachtig nieuw gebouw aan de Lange Boonestraat, die de naam "Dr. A. Kuyperschool" kreeg.  Een gevelsteen aan dit gebouw vermeldde de uitspraak van Dr. Kuyper: "Van geslacht op geslacht moet de kenisse Gods door het werk der opvoeding worden voortgeplant."  Dr. Abram Kuyper kwam zelf naar Maassluis met zijn beide dochters om de school te openen. Op dezelfde dag bezocht het gezelschap ook nog zijn geboortehuis aan de Zuidvliet. (Dit gedeelte van de Zuidvliet werd na de dood van Kuyper in de Dr. Kuyperkade omgedoopt.) In 1912 verhuisde de School met de Bijbel aan de Noordvliet naar een nieuw gebouw aan het Looierspad. Deze nieuwe school kreeg de naam "Groen van Prinsterer-school". Als eerbetoon aan Groen van Prinsterer besluit de gemeenteraad in september 1912 het Looierspad de naam: 'Groen van Prinstererkade' te geven.

Tot 1907 waren de hervormde kinderen uit Maassluis  bij de gereformeerden 'geherbergd'. Maar in 1907 hadden de hervormden een eigen school: de Koningin Wilhelminaschool op 'het Hoofd'. Bij de opening van deze school werden de gereformeerden door ds. Groot Enzerink wel bedankt voor deze 'herberging'. Bij de start van die eerste Hervormde school in april 1907 waren er 236 leerlingen voor de l.o.-afdeling en 25 voor de mulo - afdeling. Van al die kinderen waren er maar twee niet hervormd; dat was geen bezwaar, want in artikel 2 van de statuten had de vereniging die mogelijkheid uitdrukkelijk opengelaten: 'Terwijl de vereniging hoofdzakelijk zich ten doel stelt te zorgen voor degelijk christelijk onderwijs ten behoeve van kinderen der hervormde gemeente te Maassluis, kunnen zoveel de plaatsruimte dit toelaat, ook kinderen, die niet tot de Ned. Hervormde Kerk behoren tot de door de vereniging op te richten school (of scholen) worden toegelaten; hiertoe wordt echter de toestemming van het bestuur vereist.'. In 1923 werd een tweede Hervormde School CV)-school geopend aan de Fenacoliuslaan. Deze school kreeg de naam "Minister De Visserschool" en werd ook door minister De Visser geopend. Zo zien we, dat de historische lijnen van de Schoolstrijd in Maassluis samen-komen.

In 's-Gravenzande wordt in februari 1875 de eerste Chr. School geopend aan de Pieter Heussstraat. De school is deels gebouwd met aangespopeld hout op het 's-Gravenzandse strand. Het is een Gereformeerde School. Pas in 1903 wordt de eerste Hervormde School geopend, de ds. A. van der Geestschool.

In de Meije (bij Bodegraven) wordt in 1907 een School met de Bijbel geopend. Enkele maanden later volgde de Rooms-Katholieke School. De oprichting van beide confessionele scholen betekende een ware aderlating voor het openbare onderwijs in de Meije. Het leerlingen-aantal was binnen de kortste keren gedecimeerd. In 1927 zaten er nog slechts 4 leerlingen op de openbare school. Ondanks felle discussies in de gemeenteraad en een proces van de vader van de vier overgebleven kinderen moest de openbare school in 1928 worden verkocht. 

Heel bijzonder is de geschiedenis van het chr. onderwijs in Gorinchem. Op 30 september 1857 startte in Gorinchem de eerste christelijke school. Het bestuur van deze school was de Schoolcommissie van de Chr. Afgeschei-den Gemeente van Gorinchem. Het eerste hoofd der school was de heer Van Kluijve. "Zijn" school bloeide zo goed, dat de stadsbestuurders de verbetering van het openbaar onderwijs krachjtig gingen aanpakken. Zo werd Van Kluijve het slachtoffer van zijn eigen succes. Van Kluijve kon met zijn niet-gesubsidieerde onderwijs op den duur niet zo goed meer concurreren met de openbare school, die haar financiële middelen van de gemeente Gorinchem ontving. Van Kluijve pakte daarom in 1870 zijn biezen. Na hem werd J.A.G. de Waal hoofd der school. Deze zag er na 6 jaar ook geen brood meer in. Hij werd opgevolgd door Arie Bloot. Meester Bloot zou voor de komende jaren 44 jaar bepalend zijn voor het chr. onderwijs in Gorinchem. In 1880 zag zelfs de Schoolcommissie van de Chr. Geref. Kerk het ook niet meer zitten, omdat het instand houden van een chr. school financieel niet meer was op te brengen. De Schoolcommissie hief zichzelf op en liet de school aan haar lot over. Toen kwam de grote verdienste van meester Arie Bloot: hij liet de school niet vallen, maar werkte 11 lange jaren voor eigen rekening door. Dat betekende: weinig geld voor leermiddelen en nòg minder of soms zelfs geen geld voor zijn eigen levensonderhoud. Bloot leefde van wat men hem schonk. De chr. school werd onder werkelijk erbarmelijke omstandigheden in stand gehouden. Maar na de Doleantie en het ontstaan van de Geref. Kerk werd op 29 september 1891 de "Vereeniging tot Stichting en Instandhouding van Scholen met de Bijbel" opgericht. Deze Vereniging van Gereformeerden en Hervormden nam de zorgen voor de school van meester Bloot over. Zij nam de school en ook de hoofdonderwijzer en ander personeel over.

Een soortgelijke geschiedenis komen we in Alphen aan de Rijn tegen. Daar stichtte Huibertus Johannes Lemkes in 1852 aan de Lage Zijde de eerste Christelijke School, die hij tot 1873 leidde op eigen kosten. Alphen was hiermee een van de eerste Nederlandse plaatsen waar een christelijke school werd gesticht. Al snel na de stichting van de school besloot de gemeenteraad het schoolgeld voor de openbare school af te schaffen. Deze vorm van concurrentie had echter nauwelijks gevolgen voor de christelijke school. Problemen ontstonden in 1871, toen de gemeenteraad besloot  vaccinatie verplicht te stellen voor leerlingen van alle scholen. Lemkes weigerde zich bij deze verplichting neer te leggen en liet een ongevaccineerd kind op zijn school toe. Een aantal rechtzaken volgden. Toen in 1873 de rijkswet op de besmettelijke ziekten werd aangekondigd, stopte Lemkes met het geven van onderwijs. Per 'diezelfde datum ging de school over in handen van de 'Vereniging voor Chr. Onderwijs'. Zijn weigering om kinderen te laten inenten kwam voort uit het feit, dat hij lid was van de 'Vergadering van Gelovigen', welk kerkgenootschap hij zelf in Alphen en Aarlanderveen had gesticht. De 'Vergadering van Gelovigen' was bij buitenstaanders meer bekend onder de naam 'Darbisten'. 

In Twello werd in 1906 al een "Vereniging voor Chr. Nationaal Schoolonderwijs" opgericht, maar in 1920 werd pas een School met de Bijbel geopend. In het herdenkingsboekje lezen we, dat de financiële situatie van de inwoners daarvan de oorzaak was, omdat "de voorstanders van het Chr. Onderwijs hier ter plaatse nu niet bepaald tot de rijken der aarde genoemd konden worde...". Men heeft uiteindelijk gewacht met de aanbesteding van de bouw van een school tot de wet tot financiële gelijkstelling door de Kamer was aangenomen.

In Kootwijkerbroek werd op 18 januari 1888 opgericht: de "Vereniging tot stichting en instandhouding van Scholen met den Bijbel te Kootwijk en Kootwijkerbroek èn tot bevordering van het christelijk onderwijs in de buurtschappen Garderbroek, Stroe en Essen." De initiator was de bekende Gereformeerde predikant van Kootwijk, ds. J.H. Houtzagers, de eerste afgestudeerde student aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en in die hoedanigheid predikant van de eerste dolerende gemeente in Nederland. De Gereformeerde Kerkenraad van die dagen zag de wijk Kootwijkerbroek als een evangelie-post en stichtte daar dus eerder een school dan in Kootwijk zelf. Op 20 november 1888 werd de eerste School met de Bijbel in Kootwijkerbroek geopend. Ook werd een onderwijzerswoning gebouwd en werden er 24 schoolbanken, twee schuivende schoolborden en een lessenaar aangeschaft. Ongeveer de helft van het aantal leerlingen kwam over van de Openbare school, die aan de 'Schoolkamp' stond. 

Over de Openbare school in Kootwijkerbroek mag ik u het volgende niet onthouden: Op 5 september 1844 begint meester Jacob de Vries met het geven van Opennaar onderwijs aan de jeugd van Stroe en Kootwijkerbroek. Aanvankelijk gebeurde dat in de brouwerij van de herberg "De Raven".  In 1848 werd er een nieuwe openbare school gebouwd op een stuk grond, dat de 'Schoolkamp' werd genoemd. Het terrein rond de school werd door meester De Vries in een klein paradijsje veranderd. De bekende 19e eeuwse auteur Frederik van Eeden wijdde een kort gedeelte van zijn boek "Onkruid" aan de groene vingers van De Vries en zijn school, als hij schrijft: "Wat die woeste eentonige natuur worden kan door 's menschen wil, leert ons de groene aosis rondom het schoolgebouw van Stroe".  
Na 1891 zakte het aantal leerlingen, omdat aan de Openbare school de hervormde onderwijzer D. Groeneveld werd benoemd, die op zaterdagmorgen godsdienstonderwijs gaf. 

In Kootwijk op de Veluwe werd in 1890 een Christelijke School geopend. De initiator was ook hier ds. J.H. Houtzagers, de Gereformeerde predikant van Kootwijk, die tevens voorzitter van het eerste bestuur werd. (zie vorig stukje over Kootwijkerbroek). Er werd aanvankelijk les gegeven in het boerderijtje van Vrouw Bakkenes aan de Heetweg nr. 250. Daar kregen 28 kinderen les in een armoedig boerenkamertje. Met de opening van dezer School met de Bijbel liep de Openbare school leeg. In feite werd ook hier de Openbare school omgezet in een Christelijke school. Aanvankelijk gaven de dominee en zijn vrouw zelf wat les in lezen en schrijven en ook de dienstbode en zelfs ouderling van Hussel sprongen bij.  Zo nu en dan kwam onderwijzer B. Pegman uit Kootwijkerbroek om enige lesjes te geven. Bij weinig wind trok de schoorsteen niet en dan zaten alle kinderen in de rook, zodat ogen gingen prikkelen en tranen. Verder stonden er maar 6 schoolbanken en het boerderijtje bezat noch privaat noch urinoir. Op een morgen stopte op het Brinkplein een rijtuig. Drie heren stapten uit; het waren de Burgemeester van Barneveld, de Inspecteur van het Onderwijs en de Inspecteur van de Volksgezondheid uit Utrecht. De drie heren gingen de woning van Vrouw Bakkenes binnen en schrokken wat zij in het kamertje aantroffen. De ruimte werd afgekeurd als zijnde schadelijk voor de gezondheid.  Het 'schoolgebouw' werd afgekeurd  en moest direct worden gesloten. Gelukkig kon op 1 maart 1891 door het schoolbestuur de leegstaande onderwijzerswoning van de Openbare school gehuurd worden, welke woning goed als schoollokaal kon fungeren. Meester J.T. Bakker werd het eerste hoofd der school. Op 1 januari 1892 mocht van de burgemeester ook het leegstaande gebouw van de openbare school gehuurd worden.

Lopend over het oude kerkhof van Kootwijk ontdekte ik in een hoek het familiegraf van de familie Houtzagers. Op de steen van ds. Houtzagers is te lezen, hoe belangrijk  hij was voor de chr. scholen en (geref.) kerken in Kootwijk en Kootwijkerbroek.  Onderaan de steen lezen we: "In dankbare nagedachtenis aangeboden door de Geref. Kerken van Kootwijk en Kootwijkerbroek , het School-bestuur en Vrienden."
Midden op deze oude begraafplaats ontdekte ik ook het graf van  Maria Johanna Bakkenes - van Essen (1854 - 1949) Dit was Vrouw Bakkenes, die haar boerderijtje beschikbaar stelde voor de eerste chr. school in Kootwijk.
       

                            graf van ds. J.H. Houtzagers         grafsteen Maria Johanna Bakkenes-van Essen

In Harskamp, midden op de Veluwe, heeft de stichting van de eerste School met de Bijbel wel een heel bijzondere voorgeschiedenis. Harskamp was door een slechte, voor kinderen bijna onbegaanbare weg, verbonden met het dorp Otterlo, waar de naastgelegen Openbare Staatsschool stond. De afstand voor de Harskamper kinderen naar die Staatsschool was gemiddeld een uur lopen, voor sommige kinderen zelfs anderhalf uur. Er waren enkele kinderen, die toch van die school gebruik maakten, wanneer zij een jaar of negen of tien waren. Het merendeel van de Harskamper kinderen ging niet naar school. Bij herhaling hebben de Harskampers aan hogere en lagere besturen verzocht om een (openbare) school, maar steeds zonder gunstige uitslag. In 1870 begint een vrouw, Trui van Harskamp, met het geven van onderwijs in lezen en schrijven aan de Harskamper jeugd in een kamertje onder een afdak van haar boerderij. Rekenen gaf zij niet, want dat kon zij zelf niet. Met dit vak ging ze dan ook niet hoger dan het cijfer 10.  "Jullie zullen toch nooit meer dan 10 gulden in jehand krijgen", was haar stelling. Zij was een vrome vrouw en wilde de kinderen vooral het Bijbellezen onderwijzen. Tot 1894 heeft zij 25 jaar lang dit onderwijs gegeven aan een 40-tal kinderen van 5 tot 13 jaar oud gedurende 3 x per week. Haar werk was ongeoorloofd volgens de schoolwet. Tweemaal heeft zij in die periode een proces gehad: éénmaal moest zij f 50,- boete betalen en éénmaal is zij vrijgesproken, maar er werd toen bijgezegd, dat zij alleen godsdienstonderwijs mocht geven en niet vaker dan 3 x per week. Trui gebruikte bij haar onderwijs het aloude "Haneboek" als enige leidraad. Trui kon heel boeiend Bijbelse verhalen vertellen. De leeslessen van Trui waren tegelijk leerlessen, want ze leerde de kinderen tevens het Onze Vader, de geloofs-belijdenis, de 10 geboden en een 5-tal gebeden. De kinderzang begeleidde ze met haar harmonica. Breiles gaf ze aan de meisjes na schooltijd en 's avonds gaf zij aan ouderen les. Zo gaf zij 25 jaar onverstoord aan 40 à 50 leerlingen "onbevoegd en onbekwaam" gratis les in haar armoedig bijschooltje tot het Kootwijkse schoolbestuur in Harskamp een Christelijke school stichtte in 1894 met meester Kamerling als hoofd en met Trui als onder-wijzeres voor nuttige handwerken. Trui was 76 jaar oud toen zij ophield met lesgeven. In 1905 overleed zij op 78-jarige leeftijd.

In Hoevelaken werd op 1 juli 1880 door M.J. Baronesse Schimmel-penninck van der Oye van Hoevaken een Christelijke School gesticht. Gedurende dertien jaar werd de school zonder subsidie bestuurd en beheerd door de oprichtster. Pas in het jaar 1893 werd de "Vereniging tot instandhouding van het christelijk lager onderwijs in Hoevelaken" opgericht. De Baronessse werd ook de eerste voorzitter van het bestuur van de dag der oprichting tot aan haar overlijden op 11 juli 1895. Zij werd als voorzitter opgevolgd door haar zoon Baron J.E.N. Schimmelpenninck van der Oye van Hoevelaken, lid van de Tweede Kamer en later voorzitter van de Eerste Kamer der Staten Generaal. Hìj was het, die zo'n belangrijke rol heeft gespeeld bij het aannemen van de leerplichtwet in de Tweede Kamer in 1900. Er was een stemverhouding van 50 (vóór) en 49 (tégen). Baron J.E.N. Schimmelpenninck van der Oye kon die bewuste dag van de stemming niet van de partij zijn vanwege een val van zijn paard. Zou hij er wel zijn geweest, zo vertelt de historie, dan zou de stemming op 50 - 50 zijn uitgekomen met het gevolg dat de leerplichtwet, althans toèn, nog niet van kracht zijn geworden. (zie het hoofdstuk "Onderwijs en opvoeding in de 20e eeuw" onder het kopje "De Leerplichtwet van 1900" )

In Capelle aan de IJssel werd op 11 mei 1879 de eerste School met de Bijbel (Willem Alexander-school) geopend aan de Bermweg.  Het gebouw werd door timmerman / aannemer L. 't Hoen voor eigen rekening gebouwd.  't Hoen betaalde in de eerste jaren ook het salaris voor de hoofdmeester.  De school werd jaren op zondag gebruikt door de Gereformeerde Kerk, voor het houden van kerkdiensten. De naamgever van de school, Alexander der Nederlanden, was de jongste zoon van koning Willem III. Hij werd geboren in 1851. Na de dood van zijn broer Willem in 1879 werd Alexander kroonprins. Maar hij werd door zijn vader overleefd. Alexander overleed in 1884 aan tyfus. Pas in 1884 werd de "Vereniging tot Stichting en Instandhouding van Scholen met de Bijbel"  opgericht.  D.m.v. het houden van 'schoolschapen' probeerde men de kosten van het onderwijs enigszins te dekken. Jonge schapen werden voordelig ingekocht en na het vetweiden met winst verkocht. 

Het aantal leerlingen op de Prins Alexanderschool groeide na de oorlog tot boven de 300. De school moest echter een aderlating ondergaan, toen op 30 augustus 1952 in wijk Schenkel de Hervormde 'Groen van Prinstererschool' werd geopend.  Dit kostte ruim 100 leerlingen. In 1972 moest de Prins Alexanderschool na 93 jaar noodgedwongen sluiten, omdat het leerlingenaantal beneden de subsidiegrens kwam. De terugloop tot 56 leerlingen was niet alleen ontstaan door vergrijzing van de wijk Schenkel, maar enkele kerkgenootsvchappen hadden ondertussen eveneens scholen gesticht waar sympathiserende ouders hun kinderen voortaan heen stuurden.


In Lisse wordt in 1905 de eerste christelijke school geopend.  Hier worden, evenals in andere plaatsen, door de ouders grote offers gebracht. Het weekloon van veel ouders is ca, fl. 8,= Het schoolgeld is 25 cent per week per kind. Dat betekent voor vier kinderen een achtste deel van het weekloon. Grote gezinnen sparen voor het onderwijs letterlijk het brood uit de mond. Kenmerkend voor LIsse is het feit, dat de eerste christelijke school is uitgegroeid tot de huidige reformatorische school. 

In Doornspijk werd in 1865 naast de Hervormde Kerk op grond van de Hervormde Diaconie een Christelijke school gebouwd, uitgaande van de Hervormde Kerk. Deze Kerkenraads-school was kerkelijk Hervormd. In 1887 wilde een groep ouders, evenals elders in het land, een Christelijke school, vrij van alle kerkelijke bindingen. Men vond dat de school moest uitgaan van de ouders .Op 18 december 1887 werd een Vereniging voor Chr. Nationaal Onderwijs opgericht. Het bestuur van deze vereniging vroeg aan het College van Kerkvoogden om de bestaande Hervormde school, buiten de kerkelijke strijd, vrij van alle kerkelijke banden te mogen beheren. Op 16 maart 1888 besloot de Hervormde Kerkenraad, na stemming door de leden, de school aan de nieuwe vereniging over te dragen, alsmede de onderwijzers-woning, de schoolmeubelen, de gewassen en alles wat verder op dat terrein aanwezig was. De akte van afstand van eigendom werd door de Hervormde gemeente getekend. Omdat er bij de Doleantie een jaar later een groot deel van de Hervormde gemeente meeging en ook het grootste deel van het bestuur van de nieuw opgerichte Schoolvereniging zich bij de Doleantie aansloot, ontstond er onenigheid tussen de Hervormde Kerk en de Vereniging voor Chr. Onderwijs. De kerkvoogden verzochten om de school weer onder beheer van de Hervormde Kerk te stellen. De Schoolvereniging ging op dit verzoek niet in, waarop de erfpacht niet werd verlengd. Na een gerechtelijke procedure kreeg de Hervormde Diaconie de grond terug, maar het school-gebouw en het huis bleven eigendom van de Schoolvereniging. Men was dus eigenaar van de gebouwen, maar had geen grond. School en huis werden toen afgebroken en aan de overzijde van de straatweg, schuin tegenover de Hervormde Kerk weer opgebouwd op de grond, die voor een vriendenprijs verkregen was van een oud-bestuurslid.  Met behulp van een aannemer werden school en huis steen voor steen afgebroken en aan de overkant herbouwd voor een bedrag van f 2270,15 gulden. Tijdens de verbouwing werd er les gegeven in de (oude) Gereformeerde Kerk. Helaas weigerde de Ned. Hervormde Kerk voor arme hervormde kinderen, die het schoolgeld niet konden betalen, financieel bij te springen. Dat betekende dat op den duur die kinderen van school werden gestuurd naar de openbare school, omdat er van die gezinnen geen geld binnenkwam. Men kon nu eenmaal geen gratis onderwijs geven. Dit betekent ook, dat er destijds in Doornspijk geen Suppletiefonds bestond, waaruit arme gezinnen hun schoolgeld ontvingen. Ds. H. Bax, de Hervormde predikant, ging echter niet mee met de Doleantie. Hij kon er geen vrede mee hebben dat het onderwijs der Hervormde jeugd in Gereformeerde handen is en zet zich in voor een eigen Hervormde School. Op zijn initiatief werd er op 8 november 1897 een vergadering belegd om te komen tot de oprichting van een school, die in het bijzonder zou uitgaan van de Hervormde Gemeente. In 1906 werd de nieuwe Hervormde school geopend naast de kerk op de inmiddels lege grond van de diaconie.

Rond 1858 werd er een tweeklassige openbare school aan de Postweg  in de  buurtschap De Glind (Veluwe) gebouwd.  De leerlingen komen uit de verre omtrek: Achterveld, Woudenberg, Scherpenzeel, Renswoude en Lunteren. In 1920 stelde ds. van de Wal vast dat de cathechisanten uit de buurtschap De Glind weinig Bijbels onderricht genoten. Hij stelde daarom voor om een christelijke school te stichten. Na onderzoek bleek, dat veel ouders christelijk onderwijs wensten. Gevolg: op 1 augustus 1921 werd de school als christelijke school heropend.

In Renswoude wordt in 1885 de Stuiververeniging "Bidt en Werkt" opgericht. Het doel van deze vereniging was: gelden bijéén te brengen, tot oprichting van een christelijke school in die gemeente. De leden (bij de oprichting waren dat er 30) moesten 5 cent (een Stuiver dus!) per week betalen. Wie dit bedrag betaalde, had tevens stemrecht. Toen het bestuur van de Stuiververeniging in 1886 pro deo de beschikking kreeg over een huis, dat uitsluitend als onderwijzers-woning gebruikt mocht worden, lag ook de bouw van een christelijke school in het verschiet. Op dat moment werd het eerste artikel van de Statuten als volgt gewijzigd: "Het doel der vereeniging is het bevorderen van christelijk onderwijs, door de oprichting en instandhouding van eene school voor lager onderwijs te Renswoude.."  Twee ingezetenen schonken daarop F 1400,= voor de bouw van de school. De school werd op 2 februari 1891 officieel geopend en het nieuwe hoofd der school had zich intussen in het geschonken huis gevestigd.

In Elburg worden de twee openbare scholen bijna geheel bevolkt door kinderen van protestantse huize. In 1809 is 94% en in 1886 is ca. 90% van de kinderen hervormd. Eén der hoofdonderwijzers wordt in 1858 benoemd tot voorzanger in de Hervormde Kerk ter plaatse. Ondanks deze feiten zijn de leden van de Commissie der Ver. voor Chr. Nat. Schoolonderwijs allen van oordeel dat er in Elburg een christelijke school moet komen. Waarom de bestuursleden een chr. school wensen, wordt ons duidelijk uit de circulaire "Waarde Stadsgenooten"  van november 1864. In deze circulaire lezen we dat er een christelijke school nodig is, omdat de onderwijswet van 1857 stelt dat "de Bijbel in de openbare Staatsscholen een verboden boek"  is.

In Bennekom viel de oprichting van de eerste School met de Bijbel samen met de Doleantie. In 1888 verliet het grootste deel van de leden van de Hervormde Kerk de kerk en stichtte een Gereformeerde Kerk. Er werd een 'hulpkerk' gebouwd. Aan de hulpkerk werden vier lokalen gebouwd, waarin de eerste Christelijke (d.w.z. Gereformeerde) School in Bennekom gehuisvest werd. In 1913 stichtte het bestuur van de Geref. school een tweede Geref. school in de Kraats. In 1920 werd een Hervormde Schoolvereniging opgericht, die veel leden kreeg. De kinderen van de hervormde ouders zaten in die tijd op de Openbare School. Op die Openbare School werd destijds voor een deel onderwijs in christelijke zin gegeven, compleet met het leren van psalmversjes en het uitspreken van een gebed voor de les. Begin 1920 had de Openbare School net een nieuw gebouw betrokken. Omdat de ouders van 160 van de 200 leerlingen van de Openbare School te kennen hadden gegeven hun kinderen naar de nieuw op te richten Hervormde School te willen sturen, verzocht het Hervormde Schoolbestuur aan de gemeenteraad om het nieuwe gebouw van de Openbare School te mogen betrekken. Dit werd na enige tegenwerking van andere ouders door de gemeenteraad toegestaan en op 1 april 1921 startte de Hervormde School in het gebouw van de Openbare School. Zo'n overname van de Openbare School komen we in meer plaatsen op de Veluwe tegen. De 40 'openbare' leerlingen, die niet meegingen naar de Hervormde School werden in twee lokalen van het oude gebouw van de Openbare School gehuisvest.

In Voorhout wordt er in 1906 een Rooms-Katholieke meisjesschool in de Hoofdstraat geopend. Een zusterorganisatie (een groep nonnen) uit Veghel is gevraagd of ze in Voorhout onderwijs aan meisjes wil komen geven. De school heet de St. Agnesschool. In 1922 komt er een Hervormde School (CVO) aan de Jacoba van Beierenlaan. De Openbare school raakt daardoor wat leerlingen kwijt. Spoedig daarna wordt door het R.K. kerkbestuur ook een R.K. jongensschool opgericht. Omdat er veel R.K. kinderen naar de Openbare school gaan, vraagt het R.K. kerkbestuur aan het gemeentebestuur of ze die openbare school kunnen overnemen. De gemeente gaat accoord en de school krijgt de naam St. Antoniusschool. De Openbare school verdwijnt dan uit het dorp. Hier zien we weer een overname van de Openbare school, maar nu niet door de Hervormden, zoals in Bennekom, maar door de Rooms-Katholieken. In 1974 keert de Openbare School weer terug in het dorp.


In Emst (Veluwe) heeft na 1920 in feite een tweede schoolstrijd plaatsgevonden. Daar werd in 1926 een "Vereniging tot Stichting en Instandhouding van een School met de Bijbel' opgericht, terwijl pas in 1939 de School met de Bijbel werd geopend. De reden van het feit dat ber 13 jaar lag tussen stichting van de Vereniging en opening van de school, was tweeledig, nl.:

1e: De gemeente Epe had in 1932 (het jaar van de aanvraag) geen geld vanwege de crisistijd; de openbare school moest eerst verbouwd worden.
2e: Nadat de gemeente in 1937 eindelijk groen licht gaf voor de bouw van de school, gingen 5 inwoners uit Epe bij de Kroon in beroep tegen dit toestemmingsbesluit. Deze 5 inwoners waren allen lid van de "Vereniging voor Volksonderwijs" (= Openbaar Onderwijs) Zij vonden, dat meerdere kinderen  uit de omgeving van Emst wel naar de naburige dorpen Epe, Gortel of Oene naar school konden gaan, omdat zij daar dichter bij woonden. Hierdoor zou het Bestuur het benodigde aantal leerlingen niet halen. Tijdens de behandeling van dit beroep werd zelfs de afstand naar de school van Oene nagemeten door de ambtenaren van de Provinciale Waterstaatdienst. Zij tellen 4193 meters, 193 meter boven de limiet van 4 kilometer.

Op 5 december 1938 wordt het beroep door de Kroon ongegrond verklaard en krijgt Emst in 1939 eindelijk zijn eigen School met de Bijbel.

In Woerden moesten diverse hobbels worden genomen, voordat men tot de stichting van de eerste Christelijke school kon besluiten. In 1878 werd ondanks de jarenlange inzet van de strijders voor het christelijk onderwijs de nieuwe Onderwijswet van de liberale minister Kappeyne van de Copello aangenomen. Hierin werden diverse maatregelen genomen, die het onderwijs zouden verbeteren, maar de oprichting van bijzondere scholen voor christelijk onderwijs werd niet makkelijker. Die kregen in deze Onderwijswet nog steeds geen subsidie. Om hiertegen in acxtie te komen besloot de in 1860 opgerichte Vereniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs een petitie, het zgn. Volkspetitionnement,  te houden en die bij koning Willem III in te dienen. Men werd verzocht overal in het land Lokale Comités op te richten en overal handtekeningen te verzamelen tegen deze onderwijswet en de koning daarmee te bewegen zijn handtekening aan deze wet te onthouden. Zo werd ook in Woerden het ‘Comité van het Volkspetitionnement voor de School met de Bijbel’  opgericht en werden vanuit Woerden 624 handtekeningen ingediend. Helaas had deze actie in eerste instantie geen effect; de wet werd toch door de koning ondertekend. Het ‘Locale Comité in Woerden bleef echter bestaan en probeerde op andere manieren een christelijke school te realiseren. In het najaar van 1878 werd in Woerden van de ondertekenaars van het petitionnement ook een financiële bijdrage gevraagd door middel van de zgn. Uniecollecte. Met behulp van deze en andere financiële middelen, zoals leningen, inning van schoolgelden en contributies en giften kon de opening van de eerste christelijke school in Woerden in mei 1881 plaatsvinden met 70 leerlingen. Binnen één week waren er 109 leerlingen, die naar deze school kwamen. Met de koninklijke goedkeuring van de statuten in juli 1880 ging het Locale Comité, dat zich inmiddels ‘schoolbestuur’ noemde, verder als Vereniging voor Christelijk Schoolonderwijs te Woerden.

In Ermelo stichtte ds. H.W. Witteveen in 1859 een Zendingskerk naar het voorbeeld van de Hernhutters. Deze kerk zou later de Vrije Evange-lische Gemeente worden. In het naburige buurtschap Horst richtte ds. Witteveen in het bakhuis van een geestverwante boer een schooltje in. Op 17 december 1857 volgde de plechtige opening. Burgemeester Vitringa greep echter onmiddellijk in. Hij liet proces-verbaal opmaken, waarna het kantongerecht in Harderwijk meester Mooij (de hoofd-meester) tot een boete van 40 gulden veroordeelde. Toen meester Mooij desondanks doorging, volgde een tweede proces-verbaal. Daarop werd de school gesloten. Vitringa had zijn zin. In het gemeente-verslag schreef hij ..." dat hij vol vertrouwen was over het onderwijs in het dorp, mits echter de geestelijkheid er geene schendende handen aan slaat..".  Blijkbaar volgde ds. Witteveen bij een tweede poging wel alle benodigde procedures, want in 1862 kon in Ermelo de Zendingsschool met twee klassen worden geopend.: de eerste christelijke school op de Veluwe. Alle kinderen van het dorp konden de school gratis bezoeken.

Op het kerkhof achter de Zendingskerk (die er nog steeds staat) ligt ds. Witteveen begraven. Na enig zoeken vonden we zijn graf, midden in de centrale cirkel op het kerkhof. Een kleine steen, waarop de tekst niet meer te lezen was.  Boven de ingang van de begraafplaats staat de tekst uit Hebreeën 11 : 13: "In geloof  zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet, en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde."
Toen in 1888 door de Vereniging "Scholen met de Bijbel" de eerste School met de Bijbel aan de Kerklaan werd gesticht, werd dat noodlottig voor de Zendingsschool van ds. Witteveen; de Zendingsschool werd daarna weldra opgeheven.

Deze eerste School met de Bijbel werd gehuisvest in een houten hulpkerkje, dat 's zondags werd gebruikt door de dolerenden (gereformeerden). Het was aanvankelijk niet meer dan een houten loods, waar 's winters het waterglas van de dominee ijs bevatte.  Dit bouwsel werd op de werkdagen als school gebruikt en deed 's zondags dienst als kerkgebouw. Wel moest er wekelijks gesjouwd worden met de banken om het gebouw gereed te maken voor de kerkdienst op zondag. Als hoofd der school werd meester J. de Vries benoemd, die tot het moment van benoeming hoofdmeester aan de Openbare School in Ermelo was. Meester De Vries echter stond geheel achter de beginselen van de christelijke school en was in 1888 meegegaan met de doleantie. In een uitgebreide brief aan B & W vraagt meester De Vries ontslag als hoofd van de openbare school in Ermelo en motiveert hij zijn besluit om het openbaar onderwijs te verlaten. Hij schrijft, dat hij niet langer op een school kan werken, waar niet in de naam des Heren onderwijs wordt gegeven en dat door het 'godsdiensloos' karakter van de openbare school de jeugd van het Christendom vervreemdt.

In Brielle wordt de eerste School met de Bijbel in 1897 gehuisvest in een kerkje aan de Boterstraat. In het herdenkingsboekje "100 jaar Vereniging Christelijk Onderwijs" wordt door een oud-leerling het volgende van dit gebouwtje gezegd:
"Door de kachels waren we binnen in de school afhankelijk van de wind. Deugde de windrichting niet, dan stegen grote blauwgrijze rookslierten op en vervuilden lokaal en longen (...) Alle jaren dat ik in dit lokaal heb vertoefd, heb ik van die vloer hetzelfde beeld gezien: links en rechts, voor en achter lange repen blik om de wijde naden, door verrotting ontstaan, te bedekken (....) De beide W.C.-deuren waren in het lokaal: één voor de meisjes en één voor de jongens. Dat spreekt. Dat die verblijven niet reukloos waren, valt te begrijpen. Wij hadden er geen erg meer in. Toiletpapier? Niet aanwezig. De oude kranten moesten ook op. Een stortbak? Waterspoeling? Die vond je alleen bij de "grote lui", of iets wat daarop leek. Er was trouwens geen waterleiding in Den Briel, dus wat wou je."

Zevenaar heeft vanaf 1623 vrijwel doorlopend christelijk onderwijs gekend. We geven een samenvatting van de geschiedenis van de school in Zevenaar. In 1623 wordt in Zevenaar al een eigen school gesticht. Men noemde dit een Hollandse School. De school was verbonden met de Hervormde Kerk; de jeugd werd 'in calvinistische' geest onderwezen. Vanaf 1806, toen de eerste onderwijswet verscheen, ontstond in Nederland de volgende ontwikkeling: afschaffing van de gezindteschool en de oprichting van scholen waar voor ieder toegankelijk onderwijs in de maatschappelijke en christelijke deugden zou worden gegeven. In Zevenaar bleef de Kerkelijke gezindteschool voortbestaan. De school van de Hervormde Gemeente werd in 1816 door de schoolopziener Ds. dr. H.H. Donker Cortius (1778-1839) 'Openbare School des Protestants' genoemd. De school werd voorlopig nog niet ingeruild voor een openbare school, die opleidde tot maatschappelijke en christelijke deugden, zoals in veel steden in Nederland het geval was.  Zelfs in 1858 (na de Schoolwet van 1857) verklaarden de Gedeputeerde Staten van Gelderland de school tot een bijzondere school: de kerkenraad bleef als schoolbestuur fungeren, maar de overheid kreeg een behoorlijke vinger in de pap, wat betrreft de kwaliteit en vormgeving van het onderwijs en betaalde voortaan mee aan het salaris van het personeel. Deze situatie heeft echter slechts twee jaar geduurd, want in 1860 stichtte de burgerlijkre gemeente van Zevenaar een openbare school aan de Schoolstraat, die de nodige leerlingen trok. De subsidie voor de 'Openbare School des Protestants' stopte. De financiering moest toen uitsluitend komen uit het schoolgeld, dat door de ouders werd betaald. In 1902 werd de school opgeheven. Op 17 juli 1905 besloot de kerkenraad tot de oprichting van een Hervormde School (C.V.O.) en aan het eind van dat jaar werd een nieuwe school geopend met 85 leerlingen.

Veenendaal, een dorpje in de Gelderse Vallei,  had in 1863 zo'n 300 inwoners. Een dorpje met wat huisnijverheid, katoen- en wolindustrie, maar waar in dat jaar ook nog zo'n 28000 ton turf werd gegraven. Er stond 1 openbare school, waar de kinderen - zo stond het in de wet van 1857 - moesten worden opgevoed in Christelijke en maatschappelijke deugden, maar waar de Bijbel dicht moest blijven omdat dit andersdenkenden "ergernis kon geven". In 1863 besluit de kerkenraad van de Ned. Hervormde Gemeente om de leden van de kerk eens te polsen hoe men denkt over de oprichting van een Christelijke School. Er worden 300 circu-laires uitgedeeld om mensen uit te nodigen om met hen in overleg te treden en hun mening te vragen over de wenselijkheid van het stichten van een Christelijke School. Slechts 113 van de 300 circulaires kwamen getekend terug. Toen bleek, dat 80 mensen bereid waren samen een bedrag van f 400,= per jaar voor deze zaak bijéén te willen brengen, viel de beslissing. Aanvankelijk was men van plan de school te beginnen in de Christelijk afgescheiden kerk, maar dat gaat niet door en dan besluit men zelf maar te gaan bouwen. Er wordt een pand aan het Verlaat gekocht en verbouwd. Op 11 december 1863 gaan de deuren van de eerste christelijke school in Veenendaal open. De school begon met 57 leerlingen. De school groeit snel en in 1869 heeft de school 200 leerlingen. In 1870 klaagt het hoofd van de openbare school over het verlies van leerlingen aan de Vrije Christelijke School. Omstreeks 1910 is de school de grootste van Nederland. In 1913 zijn er 643 leerlingen en 17 leer- krachten.

In 1903 wordt de Hervormde Schoolvereniging opgericht.  Hoewel in veel plaatsen de Gereformeerde en Hervormde Schoolverenigingen in de loop der jaren zijn gefuseerd tot Vereningen voor Christelijk Onderwijs (VCO), bestaan deze Verenigingen in Veenendaal nog apart.

In Bodegraven wordt de eerste chr. school in 1858 gesticht door de Kerkenraad van de Chr. Afgescheiden Gemeente. Dit was de 63e School met de Bijbel in Nederland. In 1865, als er een behoudende predikant in de Hervormde Kerk komt, wordt het een samenwerkings-school van Afgescheidenen en Hervormden, waarbij er van elke kerk 4 bestuursleden in de bestuurscommissie zaten. Na de Doleantie komen er ook leden in het bestuur van de Nederlands Gereformeerde Kerk, zodat er dan 9 bestuursleden zijn, van elke kerk drie. Hier hebben de kerkscheuringen geen enkele invloed gehad op de Chr. School. Iedereen kon aanschuiven.

In Werkendam wordt de eerste School met de Bijbel in 1888 gesticht door de Kerkenraad van de Christelijk Gereformeerde Gemeente. Dit was de kerk van de Afgescheidenen en werd Gereformeerde Kerk A genoemd. De Dolerenden zouden later Gereformeerde Kerk B genoemd worden. Er waren veel minvermogende ouders, die het schoolgeld niet konden betalen. De Kerkenraad betaalde voor hen het schoolgeld, mits zij lid waren van de Christelijk Gereformeerde Gemeente. Kinderen van minvermogende ouders van andere kerkgenootschappen (bv. Gereformeerde Kerk B) mochten wel op school ingeschreven worden, als de Kerkenraad van de betreffende Kerk het schoolgeld betaalde. (suppletie). Hervormde kinderen bleven vaak op de Openbare School tot er een Hervormde School wordt opgericht. De oprichting van de Hervormde school leidde in Werkendam  tot een flinke afname van het aantal leerlingen van de openbare School .Dit verschijnsel kwam in veel gemeenten voor. In meerdere gevallen leidde dit tot opheffing van de plaatselijke Openbare School.

In Rijnsburg telde de Openbare School in 1880 nog ruim 300 leerlingen. Na de oprichting van de Eerste School met de Bijbel in 1890 bleef er nog een handjevol leerlingen over. Er werden vier leerkrachten ontslagen en uiteindelijk werd de school opgeheven; de nog aanwezige leerlingen moesten naar naburige dorpen.

In 1879 werd in Spakenburg een School met de Bijbel geopend. De school ging uit van de kerkenraad van de Christelijk Gereformeerde Kerk van Spakenburg (de kerk, die ontstaan is uit de Afscheiding van 1834). De school startte met 150 leerlingen en werd gehuisvest in de ‘te klein geworden’ Christelijk Gereformeerde Kerk, die daartoe werd verbouwd.
In april 1889 werd in Bunschoten een School met de Bijbel gesticht. Deze school ging uit van de Doleantie. De Hervormde Kerk van Bunschoten had nl. vrijwel unaniem gekozen voor de Doleantie. De dolerenden bleven gewoon naar hun ‘oude’ kerkgebouw gaan, totdat in 1890 hun het gebouw werd ontnomen door een rechterlijk vonnis. De dolerenden bouwden toen hun eigen kerkgebouw, nl. het gebouw “Kostverloren”.
Alhoewel de dolerenden in Bunschoten het initiatief hebben genomen tot oprichting van een School met de Bijbel, was het geen kerkenraadsschool, maar een school van de ouders. De school ging uit van een vereniging met een onafhankelijk bestuur. Met 30 leerlingen startte de school in de consistoriekamer der Hervormde Kerk. Omdat met het groeien van het leerlingenaantal het leerlingenaantal van de Openbare School daalde, mocht de school reeds na 4 maanden gebruik maken van de leegstaande lokalen van de Openbare School.

In 1875 werd in Koog-Zaandijk een particuliere Christelijke school opgericht. De school was eigendom van de heer K. Honig Kzn. De school stond aan het Darmenpad. De heer Breebaart was er de (enige) onderwijzer. De heer Honig overleed in 1888 en de heer Breebaart had omstreeks dezelfde tijd zijn ontslag genomen. Zeer waarschijnlijk zijn dit de twee redenen geweest om een Christelijke Schoolvereniging te stichten om het voort-bestaan van die eerste Christelijke school veilig te stellen. Op 3 juli 1888 werd de Vereniging voor Christelijk Onderwijs te Koog/Zaandijk gesticht. Tot 1902 was de eerste school van deze Vereniging gehuisvest in het oude gebouwtje aan het 'Darmenpad'. In 1902 verhuisde de school naar een nieuw gebouw aan de Jan de Wittestraat.

In Alblasserdam werd in 1866 de "Vereniging voor Chr. Nationaal Onderwijs" opgericht. Op 1 juli van hetzelfde jaar werd de eerste School met de Bijbel geopend met 133 leerlingen. De school was gehuisvest in de paardenstal van boerderij "Vreeburg" van Nic. Vermeulen aan de Oranjestraat. De stal was koud, tochtig, donker en vochtig. Het verblijf in deze stal was van korte duur en spoedig vond men ruimte om onderwijs te geven in een woning aan de Kerkstraat 107. Ook dit was van korte duur en in 1872 verhuisde de school naar een dubbele woning aan de Kerkstraat. de ene helft was de woning van het hoofd der school en van de andere helft maakte men twee leslokalen. In 1898 verhuisde de school naar de "Oude Lijnbaan" van J.B. Bonke aan de Kerkstraat. Hier werden door de sterke leerlingengroei resp. in 1904 - 1914 -1919 - 1924 telkens twee lokalen bijgebouwd, waarna de school in 1979 na een grondige renovatie de naam "De Schalm" kreeg.

In Schiedam werd in 1861 de eerste School met de Bijbel gesticht aan de Tuinlaan. Het was een particuliere school, die onderhouden werd door enkele vermogende leden van de Chr. Afgescheiden Gemeente. In 1864 kwam er een nieuw hoofd der school, de heer Hoogendam, die de school voor eigen rekening exploiteerde. In 1880 werd de "Vereniging tot Bevordering van Chr. Onderwijs" opgericht. In deze Vereniging werkten Gereformeerden en Hervormden samen. Deze samenwerking heeft slechts twee jaar geduurd. Reeds in 1882 kwam er een breuk in het bestuur. De Hervormde bestuursleden nemen de Vereniging en de school over. De school verhuist nog hetzelfde jaar naar De Markt. De Gereformeerde broeders stichten een eigen Vereniging en een eigen Gereformeerde school. Deze school neemt in 1883 zijn intrek in het gebouw aan de Tuinstraat, die door het vertrek van de Hervormde school naar de Markt, leeg stond.

In het dorpje Kethel (bij Schiedam) zijn er in 1912 al plannen om een Chr. School op te richten. Aangezien het hoofd van de Openbare School, meester Lindeijer, een zeer gewaardeerde schoolmeester is, die lid is van de Evangelisch Lutherse Kerk te Schiedam, besluit men om te wachten met het stichten van een chr. school tot hij met pensioen gaat. In 1922 wordt de "Vereniging voor Chr. Volksonderwijs te Kethel" opgericht en in 1924 wordt de School met de Bijbel geopend.  Omdat de meeste leerlingen van de Openbare School overgaan naar de Chr. School (er blijven er nog maar 29 kinderen over op de Openbare School), trekt de Chr. School in het gebouw van de Openbare School aan de Vlaardingseweg en krijgt de Openbare School een nieuw onderkomen aan de Schiedamseweg.

In 1892 was er in Kethel een Rooms-Katholieke school gesticht: de Jabobusschool. Toen was het aantal leerlingen van de Openbare School ook al flink teruggelopen.

In Barneveld stichtten ouders in 1889  de eerste School met de Bijbel. De school gaat uit van de dolerenden en staat aan de Schoutenstraat. Na de financiële gelijkstelling wordt in 1922 de "Vereniging voor Hervormd Schoolonderwijs" opgericht. Omdat de meeste kinderen van de Openbare School overgaan naar de Hervormde School, werd de Openbare School omgevormd naar een Christelijke School, nl. de Hervormde Julianaschool. Er werd toen elders een nieuwe Openbare School gebouwd. De Hervormde scholen in Barneveld hebben tot op heden hun eigen vereniging met hervormde scholen in de omliggende plaatsen (De Glind, Terschuur en Hoevelaken)

Dit omzetten van de plaatselijke Openbare School in een Hervormde School vond ook plaats in:  Kethel (bij Schiedam), Mijdrecht, Barneveld, Garderen, De Glindt, Bennekom en Terschuur.

In Achterberg (bij Rhenen) vindt de Schoolstrijd in de 70-er jaren van de vorige eeuw plaats. De geschiedenis in het kort: Vóór 1970 was Achterberg een echt gesloten gemeenschap met een klein Hervormd en een Oud-Gereformeerd kerkje èn een Openbare School. De meeste Hervormde en Oud-Gereformeerde kinderen gingen naar die Openbare School, waar namens de kerken Godsdienstonderwijs werd gegeven. Deze situatie voelde als zeer natuurlijk. IRond 1960 was de bekende meester De Waal hoofd van de Openbare School. Als men in die tijd koos voor Chtistelijk onderwijs in Rhenen of Veenendaal, dan werd dat door de gemeenschap echt veroordeeld. Na de oorlog werd er een poging gedaan een Christelijke school op te richten, maar die plannen gingen niet door; men was in Achterberg tevreden met de situatie, zoals die al jaren was. In 1967 ging meester De waal met pensioen en deed ds. J. van der Haar zijn intrede. Door dit alles werd toen de tijd rijp geacht om te komen tot het oprichten van een Christelijke school. De Christelijke school werd op 18 augustus 1970 geopend in een tijdelijk noodgebouw met 100 leerlingen. Het werd een Reformatorische school, die uitging van de Ned. Hervormde Kerk en de Oud-Gereformeerde Kerk te Achterberg. Het spreekt vanzelf, dat het leerlingenaantal van de Openbare school behoorlijk terugliep. In 1996 werd de Openbare school gesloten.


In Mijdrecht wordt in 1889 de "Vereniging tot Oprichting en Instandhouding van Vrije Scholen op Gereformeerde Grondslag" opgericht. Voor F 700,= koopt het bestuur een oude houten directiekeet, die gebruikt was bij de drooglegging van de Haarlemmermeer. Er werden twee Scholen met de Bijbel gesticht, één in het dorp Mijdrecjht en één in De Hoef. De beide scholen bestonden elk uit de helft van de directiekeet en waren dus nagenoeg gelijk. De school in het dorp werd op 1 augustus 1890 geopend, terwijl de school aan De Hoef op 4 augustus 1890 werd geopend. In 1913 werd er een nieuwe school in het dorp geopend en in 1922 een nieuwe school in De Hoef.

Ondanks het feit, dat er ook Hervormde kinderen op deze scholen zaten en er zelfs een Hervormd hoofd der School was benoemd in de school in De Hoef, werd er in 1946 toch een Hervormde Schoolvereniging opgericht, die aangesloten was bij het C.V.O. In 1948 werd de Hervormde School geopend in het gebouw van de voormalige Openbare School, die vanwege de oprichting van de Hervormde School werd opgeheven. Hier wordt de Openbare School omgezet tot Hervormde School. Pas in 1966 wordt er weer een Openbare School in Mijdrecht opgericht.

In Vlaardingen wordt in 1867 de "Vereeniging voor Bijzonder, Christelijk Schoolonderwijs te Vlaardingen" opgericht. Deze vereniging ging uit van de Hervormde Kerk. In 1871 werd de Eerste School met de Bijbel aan de Hofjesstraat geopend. Toen het bestuur informatie vroeg bij Groen van Prinsterer over het oprichten van een School met de Bijbel, kreeg men die informatie + een donatie van 100 gulden. 

Na de Doleantie wordt in 1896 ook een "Vereeniging voor Gereformeerd School-onderwijs" opgericht. De eerste Gereformeerde School wordt in 1897 geopend, de Emmaschool. In 1967 fuseren beide verenigingen tot de "Ver. voor Chr. Schoolonderwijs" en is de cirkel weer rond.

Na de oorlog werden er in Vlaardingen vanwege de baby-boom vier zgn. 'Finse Panagro-scholen' gebouwd. (1950)  Deze houten semi-permanente scholen konden in 13 weken worden opgezet. Dat het niet van tijdelijke aard was, blijkt wel uit het feit, dat één van die scholen, de Dr. H. Bavinckschool , tot 1981 in gebruik is geweest. Toen brandde die volledig af en trokken de leerlingen in de naastgelegen Da Costaschool.

In Nieuwerkerk aan de IJssel wordt in 1888 een "Vereniging tot Stichting en Instandhouding van scholen met de Bijbel" opgericht. Op 3 december 1889 wordt de School met de Bijbel geopend aan de Kerkstraat. Dr. Abraham Kuijper wordt ook lid van de Vereniging en stort jaarlijks de contributie van F 5,=. 

Schoolgeld.

Schoolgeld werd doorgaans naar draagkracht betaald. Vele ouders konden het niet opbrengen en verzochten om verlaging of kwijtschelding.

Ook in 't Harde  moest schoolgeld worden betaald naar draagkracht: 15 ct - 12,5 ct - 10 ct - 7,5 ct - 5 ct per kind per week. Het bedrag werd vastgesteld naar het vermoedelijk vermogen der ouders. Veel ouders konden dit niet betalen en verzochten om lager ingeschaald te worden. Als kinderen niet op school kwamen, hoefde er ook geen geld betaald te worden. Als kinderen moesten meehelpen in het bos, stond er op de lijst: 13 weken hout.


In Scherpenzeel werden de ouders in 3 klassen ingedeeld volgens het onderstaande schema:

                                                               1e klasse       2e klasse     3e klasse
                         voor één kind:                30 cent            20 cent             15 cent          
                voor twee kinderen:               52 cent            35 cent             26 cent
             voor ieder kind meer:                20 cent           12 cent               9 cent

Voor ouders, die het schoolgeld niet of gedeeltelijk konden betalen richtten vele besturen een Suppletiefonds op, dat gevoed werd uit giften, collecten, donaties enz. Ook kwam het voor, dat ouders hun kind na verloop van tijd van school af haalden en weer naar de Openbare School stuurden, omdat daar het schoolgeld lager was. 

Ook in Elburg wordt het schoolgeld naar draagkracht betaald. In 1912 moet voor één kind
F 0,60,  F 0,70 òf  F 0,80   betaald worden per maand. Wie de mensen in klassen indeelt en welke maatstaven men hierbij aanlegt, wordt niet duidelijk. Een ouder schrijft in 1912 aan het schoolbestuur dat niet de schoolcommissie, maar degenen die de schoolgelden ophaalt, de mensen in klassen indeelt. Hij schrijft verder:  "Mij valt de twijfelachtige eer te beurt door voornoemde persoon voor  "vol"  te worden aangezien en alzoo te moeten betalen naar het hoogste tarief, waarmee ik niet accoord ga."

In Brielle worden op 15 april 1907 de schoolgelden herzien. Voor één kind uit een huisgezin: 25 cent per week; twee kinderen: 40 cent; drie kinderen: 50 cent; vier kinderen: 60 cent. Voor weeskinderen uit het Geuzengesticht moet 20 cent betaald worden. Als een leerling Franse les krijgt, moet daarvoor 20 cent per week worden betaald.

In Bodegraven moest men in 1865 per klas verschillende bedragen betalen per kind: voor klas 1: f 0,65 per maand; klas 2: f 0,85 per maand; klas 3: f 1,10 per maand; klas 4: f 1,70 per maand; klas 5: f 7,50 per kwartaal en voor klas 6: f 10,00 per kwartaal. Leien en griffels, benevens de boeken voor vreemde talen en wiskunde waren ook voor rekening van de ouders.

In Werkendam werd het schoolgeld in 1888 als volgt vastgesteld: 25 ct./week voor 1 kind;  40 ct./week voor 2 kinderen; 50 ct./week voor 3 kinderen; 60 ct./week voor 4 kinderen en elk volgend kind 15 ct./week.

Tegenwerking tegen de oprichting van Scholen met de Bijbel.

Op allerlei manieren werden van de zijde van de voorstanders van de openbare school de Scholen met de Bijbel tegengewerkt. Deze tegenwerking bleef ook na de schoolwet van 1857 bestaan. Vooral van de zijde der liberalen. Er waren vele scheldwoorden in omloop tegen de voorstanders van het chr. onderwijs, zoals: formulierknechten, femelaars, fijnen dompers en hun scholen werden sekten- en dweperscholen genoemd. We vragen ons nu nog af, waarom de liberalen , met hun staatsonthouding op allerlei terrein, juist op school-gebied zo graag inmenging van de staat, ook al was er sinds 1848 onderwijsvrijheid?
Volgens de voorstanders van het Openbaar Onderwijs lieten de tegenstanders van dat onderwijs zich drijven door de opgewonden werktuigen van een sluwe partij in den lande, die onder de leus van Christelijke waarheid, twist en tweedracht onder het volk zocht te verwekken…
Het oprichten van Scholen met de Bijbel geschiedde zeer tot verdriet van de aanhangers van de openbare school, die de christelijk-nationale school – vooral gesteund door de in 1860 opgerichte Vereniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs – nog steeds bleven beschouwen als ‘dat landbedervend broeinest van kerkelijke en wereldlijke twisten’.

"In ernst, dominee: Uw kinderen gaan op de Christelijke school - en zijn die nu beter dan de mijne, die de Openbare school bezoeken?"

(Spotprent van de zijde der openbare school op de voorstanders van christelijk onderwijs)

In het gemeentemuseum van Woubrugge vindt men een van gemeentewege bijgehouden lijst (1863-1899) van kinderen die van de openbare school overgingen naar de School met de Bijbel. In mei 1868 vertrekt zo ook Jacobus Boot met de aantekening: “Hij kwam ongeregeld op school en leerde slecht en is gaan zien of men op de Bijzondere School professor van hem kon maken”.
Er waren ook minder onschuldige middelen om de christelijke school dwars te zitten en haar zo mogelijk van de kaart te vegen. Men gebruikte daartoe o.a. het volgende:
In artikel 33 van de Wet van 1857 stond: “Ter tegemoetkoming in de kosten, die nodig zijn voor elke gemeente om haar lager onderwijs in stand te houden, kan een bijdrage voor ieder schoolgaand kind worden geheven”. Na de wet van 1857 echter was meermalen het eigenaardig verschijnsel waar te nemen, dat net precies wanneer er ter plaatse een bijzondere school was opgericht of als er plannen bekend werden, die zouden leiden tot oprichting van zo’n school, de gemeenteraad op zijn school besloot tot invoering van kosteloos onderwijs teneinde op die manier de concurrentie met het bijzonder onderwijs, dat uiteraard wel gedwongen was om schoolgeld te heffen, te kunnen winnen.
De gemeenteraden van: Ambt Hardenberg, Wissenkerke, Hoogeveen, Onstwedde, Vlissingen, Aarlanderveen en De Lemmer voerden bij de opening van de christelijke school ter plaatse niet alleen kosteloos onderwijs in op de openbare school, maar verstrekte bovendien aan de minvermogende kinderen ‘gratis schoolboterhammen’.

In de onderwijswet van 1889 werd een einde gemaakt aan de mogelijkheid voor openbare scholen om ter bescherming van het openbaar onderwijs geen of zeer weinig schoolgeld te heffen. Alleen bedeelden en onvermogenden konden hun kinderen nog kosteloos naar de openbare school blijven sturen.

Een ander wapen was het ontzeggen van steun aan bedeelden, zolang zij hun kinderen naar de bijzondere school bleven sturen. “Die geen gebruik maken wil van het onderwijs door de Gemeente gegeven, zal ook van de Gemeente niet eten”, besliste in Makkum de voorzitter van het Burgerlijk Armbestuur. Niet alleen officiële instanties pasten deze sancties toe, ook particulieren gingen ertoe over mensen te dwingen hun kinderen naar de openbare school te sturen op straffe van geen broodwinning te krijgen, c.q. deze te verliezen. Nog in 1913 kon men in de “Schoonhovensche Courant” de volgende advertentie aantreffen:

“Terstond gevraagd: een gehuwd boerenarbeider, tegen hoog loon, voor vast werk, in de Boden-gravensche Meije. Huis disponibel. Vereischten: goed kunnende melken en 2 of meer kinderen plaatsen op de Openbare School in de Meije. Brieven franco onder letters V.O. aan den boekhandelaar T. Sanders, Bodegraven”.

Dat het onthouden van bedeeling vanuit de kant van de voorstanders van het christelijk onderwijs ook voorkwam, bewijst onderstaande spotprent

Grootvader en grootmoeder: 'Och dominee, we hebben 't zoo hard'. Dominee: 'Eerst Uw kleinkind naar de Christelijke school, dan zal ik over bedeeling praten.'

(Spotprent van de zijde der openbare school op de 'zieltjeswinnerij' waaraan voorstanders van het bijzonder onderwijs zich schuldig maakten.)

Een niet minder doeltreffend wapen tégen de christelijke school was de verplichte vaccinatie, waartegen vele christenouders gemoedsbezwaren hadden. Verkozen zij hun kinderen niet in te enten, dan mochten deze leerlingen niet worden toegelaten tot de christelijke school.  Zo moest in 1864 een bloeiende christelijke school in Goes van meer dan 200 kinderen gesloten worden, omdat het Gemeentebestuur besloten had dat alle kinderen van de bijzondere school moesten worden ingeënt.
Ook het verschaffen van kerkelijke bedieningen aan de onderwijzers was een middel waarvan vele liberale gemeentebesturen tegenover de christelijke school gaarne gebruik maakten. Om een hoger salaris te verkrijgen werden de functies van koster, voorlezer, voorlezer en organist bij de Hervormde gemeente aan de onderwijzer van de openbare school aangeboden tegen een bedrag van F 371,30 (Stedum 1858).

Het gebeurde ook, dat plotseling bij de oprichting van een christelijke school, de Bijbel of de Heidelberger Catechismus, die sinds lang van de openbare school verdwenen waren, daar hun rentrée maakten. (Doornspijk, Zuid-Beijerland)

De voorstanders van christelijk onderwijs moesten dubbel schoolgeld betalen:
1e: meebetalen aan de openbare school via de belastingen
2e: schoolgeld betalen voor de School met de Bijbel

De moed en opoffering van ouders en schoolmeesters.

Deze tegenstand, zowel in materiële als in geestelijke zin, is toen door de voorstanders van het christelijk onderwijs op indrukwekkende wijze beantwoord. Een 'garde d'honneur' trad aan. Van de zijde der ouders en van de kant van de schoolmeesters. die, toen ze vóór de christelijke school gekozen hadden, veelal te boek stonden als de paria's naast de mannen met de épauletten, hun collega's op de openbare school. Drs. T.M. Gilhuis geeft daar in zijn boek 'Memorietafel van het Christelijk onderwijs' de volgende voorbeelden van:

Het vrouwtje in Witmarsum, waar de vrienden van de christelijke school elke week twee centen mochten komen halen.

Dat mensje uit Vreeland, dat kousen breide, en met de verkoop daarvan de school met de Bijbel steunde.

De school in Aduard: Dominee zonder middelen en met een tractement van f 600,- staat de helft van zijn tuin en boomgaard af als bouwgrond voor de nieuw te bouwen school. Een arbeider volgt dit voorbeeld en geeft de kapitale som van f 25,- (weekloon: f 6,-) Tegenstand: de eigenaar van de weg, waaraan het schoolplein paalde, wierp daar een stapel hout neer en besmeerde dat met pek om de toegang te belemmeren.

Op 17 augustus 1878 wordt in Capelle bij Rotterdam de school met de Bijbel geopend: men was hier begonnen met een Zondagsschooltje in een zolderkamer van een der polderbewoners. Later verhuisde men naar de dorsvloer. Totdat een kindervriend uit Rotterdam zo maar ineens een nieuwe school liet neerzetten.

De mensen in Eefde, die in 1878 de moed hadden in hun woonplaats een christelijke school op te richten. Een oud gebouwtje van de C.J.V. was de eerste school. Als er tekort was, en dit was er permanent, dan schoten de boeren een bankje van f 25,- voor:  "Ik durf het niet tegen Sientje te zeggen, hoeveel ik al in 't voren ben!"

En dan het verhaal, dat H. Algra eens vertelde: "Als oudste van vier broers kreeg ik als leerling van de christelijke school nu 45 jaar geleden elke maandagmorgen 2 dubbeltjes mee naar school, in de punt van mijn zakdoek geknoopt. Dat was het schoolgeld voor de komende week. Het werd door de bovenmeester in een blauw schrift achter onze naam genoteerd. Jongens als wij wisten, wat vader verdiende: in de zomer soms wel 10 gulden in de week en in de winter hoogstens 5 gulden, behalve als er geen werk was. Dan kreeg ik in plaats van de 2 dubbeltjes een briefje mee en kwam er een streepje achter mijn naam. Zes streepjes stonden er eens in een winter achter elkaar. Maar de daarop volgende weken kreeg ik telkens een kwartje mee, en dan noteerde de meester het zo: 2-5-0. En hij en ik hebben het samen uitgerekend, dat na 25 weken de schuld was vereffend. OP de hoeken van het kabinet hadden wij twee blauwe kommen staan, van mijn grootouders geërfd. De ene was kapot, maar aan de achterkant. Dat zag je niet. In de andere deed mijn moeder af en toe een kwartje of een dubbeltje, als er iets extra's was verdiend. En als in augustus de Unie-collecte kwam voor de christelijke school, dan werd die kop geledigd. Wij hadden thuis ook een moestuin en verbouwden veel sperciebonen. Van de overvloedige oogst moesten wij altijd een deel bij de bovenmeester aan huis bezorgen, met de "groetenissen" van vader en moeder.  Het hoofd der school had toen 700 gld. tractement plus vrij wonen. Hij had een vrouw en vijf kinderen. In de winter was hij elke morgen om 7 uur in school om de kachels aan te maken."

Almelo (1861), waar uit de nalatenschap van Naatje Wanschers, "eene vriendin der school" duizend gulden kwam voor 't aankopen van de grond voor een christelijke school.

Bergum (1869), waar de penningmeester D. Taeksma bij het zien der telkens weer aanwezige tekorten zich dan ook altijd weer herinnerde: "Vanaf het begin was mijn hypotheek hierbóven, dat het des Heren welbehagen mogt wegdragen en mij dunkt iedere dag hebben wij nog bewijzen ervan.

Hattem (1870), waar jonkvrouwe Trip van Zoudtlandt nu eens f 500,-, dan weer f 1000,- brengt en de baron (Van Heemstra) meerdere malen f 1000,-. Maar waar ook de vrouw van Mannes de Weerd bijdraagt: f 0,50 en Levert Huisman: f 0,25; en waar vrouw Wildeman iedere morgen om zes uur de kachels aanmaakt en Hulsbergen bereid is kosteloos eenmaal in de zes weken de beerputten te legen.

Aarlanderveen (1893), waar de dieren zelfs meedoen: dertig lammeren lopen er ten voordele der school te weiden: de ene helft van de beesten is eigendom van K. de Bruin, de andere van J. Kastelein; beiden voorstanders der school.

In Hillegom werd in 1893 een bloembollenfonds opgericht. Land en bollen werden door begunstigers beschikbaar gesteld en iedereen kon een bloembol kopen, die later geplant werd. De opbrengst werd jaarlijks openbaar geveild en kwam ten goede aan de Chr. School-vereniging Boaz.

Tenslotte: Westbroek-Achttienhoven, waar de notulen van 21 mei 1898 vermelden:                     Inkomen f 102,40 1/2 . Uitgaven f 102,40. Met als kommentaar: "Zoodat er een voordelig saldo is van een halven cent. Zoo we bedenken, dat het tekort het vorige jaar nog f 16,- bedroeg, dan mag met blijdschap gezegd en met dank aan den Heere erkend worden, dat het Suppletiefonds welvaart." Taal des geloofs! 

Ook van de zijde der onderwijzers geeft Gilhuis in zijn boek voorbeelden:

Daar had je Lemkes, die in Utrecht op de staatsschool een betrekking als hoofd aangeboden kreeg tegen het in die dagen fabelachtige salaris van f 2000,- per jaar, maar deze schitterende aanbieding prijsgaf om in Alphen aan de Rijn een christelijke school te openen geheel voor eigen risico. De vrienden van de christelijke school hadden hem daar als garantie gegeven: "Zolang wij te eten hebben, zult gij geen gebrek lijden."

Of meester Lub uit Enkhuizen, waar eens op een middag de moderne predikant met de kantonrechter zijn gebed kwam beluisteren, en die na drie dagen het vonnis hoorde: van Christus zwijgen, òf de school uit òf proces-verbaal.

Dan meester Van Zanten, die als onderwijzer aan een christelijke school in Utrecht een verleidelijke aanbieding kreeg om in Nieuw-Loosdrecht hoofd te worden van een openbare school tegen een salaris van f 900,- met gebruik van tuin, waarvan de vroegere meester de opbrengst wel verkocht voor f 300,- per jaar en dat deze "kale" schoolmeester toch weigerde met de woorden:"Zou ik weer teruggaan naar een school, waar de Bijbel smokkelwaar is?"

Voorts het personeel van de in 1860 opgerichte school "Nathanaël" in Goes, dat geheel zonder salaris werkte, "levende uit de hand des Heren."

En dan was er meester Kluijve, die in Heusden aan een openbare school een salaris had van ongeveer 2000 gulden, maar deze baan prijs gaf voor één op de christelijke school in Gorcum van f 700,-

Tenslotte die meester Mulder, die aan de openbare school te Zierikzee f 300,- verdiende en daar het baantje van voorzanger kreeg om zijn kleine salaris wat aan te vullen, maar dit weer kwijtraakte, omdat hij getuigde tegen de prediking van de moderne predikant. En die later met zijn grote gezin van negen kinderen overging naar een christelijke school, waar hij werken moest tegen een nog 'magerder salarium'.

                                                           ____________