Bezoekers luisteren geboeid naar oud-onderwijzer Gerard Leijsen.  Foto: Jan Verboon

DIRKSLAND – Het is een mooi en beproefd concept: koppel iets interessants aan gezelligheid en lekker eten, en je weet zeker dat je de nodige belangstelling trekt. De Ouderendag van de Stichting Bejaardenwerk Dirksland is het bewijs. Op donderdag 28 november was de eenendertigste editie van dit initiatief, en weer was de recreatiezaal van De Geldershof vol tot afgeladen. Maar het zou zomaar eens de een na laatste keer kunnen zijn.

Tekst: Kees van Rixoort

De Ouderendag bestond uit enkele rondjes bingo, een lunch en een optreden van het duo Prettig Weekend ('meezingen mag'), maar begon met een presentatie over het lager onderwijs van vroeger en nu.


Herkenning
Oud-onderwijzer Gerard Leijsen, die stad en land afreist met zijn verhaal, wist de zaal wel te boeien. "Het gaat om herkenning: even een reis maken naar vroeger. Even in gedachten weer in de schoolbanken zitten", aldus Leijsen, die veertig jaar voor de klas stond, eerst in Bunschoten-Spakenburg en later in Maasland.
Het publiek kreeg van alles te horen, over de eerste nationale onderwijswet van 1801, de schoolstrijd en ook de lagere scholen van Dirksland, die nu De Inktvis en Prins Maurits heten. "Het was ontzettend streng op school. Er werd gestraft met de plak, de roede en de vogel als opvoedhulp." De (houten) vogel kreeg je naar je hoofd als je niet oplette. "De autoriteit van de meester was groot en ouders gingen niet naar school om verhaal te halen. Eerder kreeg je als kind thuis nog een extra straf." De strengheid bleek ook als leerlingen gingen praten of, tegen de regels, links bleven schrijven.
Een groot verschil met de school van nu is dat er vijftig of zestig leerlingen in de klas zaten, die allemaal hetzelfde moesten uitvoeren, of ze nu goed konden leren of niet. Leijsen: "Er werd niet naar het niveau van het kind gekeken." Een dyslexieprotocol was er nog niet, en plusklassen voor slimme kinderen ook niet. Om nog maar te zwijgen van het digitale schoolbord, waarmee je het internet in de klas kunt halen, en het aanspreken van de juf of de meester met de voornaam.
De oud-onderwijzer zoomde ook in op attributen als de kroontjespen ("Wie heeft er wel eens een vlecht in de inktpot gepropt?"), de lei ("Wie heeft er nog op een lei geschreven op school?") en het leesplankje: "Wie heeft er nog leren lezen met het leesplankje?" Bij die laatste vraag gingen heel wat vingers de lucht in.