Nuttige Handwerken

De schoolwet van 1878 en het handwerkonderwijs.

Vanaf 1878 tot diep in de 20e eeuw stond 'nuttige handwerken voor meisjes' verplicht op het rooster van alle lagere scholen. Volgens achtereenvolgende wetgevers was het een onmisbaar vak, maar binnen het onderwijs klonken ook andere geluiden.

Naast de invoering van het vak 'nuttige handwerken' op de lagere school, werd het vak uiteraard ook gegeven op de Kweekschool, waar de aanstaande onderwijzeressen de handwerkakte K konden halen. Terwijl de aanstaande onderwijzers vrij zijn, oefenen de dames vaak op woensdagmiddag met de lerares alle standaard handwerkkunstjes, die ze naderhand aan de meisjes moeten bijbrengen. Van kousen breien, stoppen en mazen, haken en borduren tot aan patroontekenen en hemden of broeken naaien toe.

Handwerken werd, zoals gezegd, in 1878 voor alle meisjes een verplicht vak, het vak k. De wetgever bedoelde het goed. Arme meisjes, voor wie de lagere school toen eindonderwijs was, konden zo een vaardigheid leren die hun hele leven van pas zou komen. Bovendien zou hun schoolverzuim afnemen. Want als ze op school iets nuttigs leerden, hielden ouders hun dochters minder vaak voor allerlei hand- en spandiensten thuis. Een weldaad was de invoering ook voor de werkgele-ge-heid van onderwijzeressen, die tot dan toe maar mondjesmaat toegang kregen tot het gewone co-educatieve onderwijs. Maar nu waren ze opeens overal hard nodig om in alle klassen handwerkonderwijs te geven - mits ze bevoegd waren, dus een handwerkakte bezaten. Een win-win situatie. Het kwam dan ook zelden voor, dat aanstaande onderwijzeressen afzagen van de voorbereidingen op de handwerkakte. Ze wisten namelijk allemaal hoe belangrijk dat diploma was. Want al konden lagere scholen er ook voor kiezen om een afzonderlijke handwerkonderwijzeres in te huren, wat in grotere steden wel gebeurde, het was verreweg het handigste en het goed-koopste om de lessen voor alle meisjes van de school te laten verzorgen door één van de vaste onderwijzeressen. En dus stelden schoolbesturen het liefst onderwijzeressen met een handwerkakte aan. In de praktijk betekende dit, dat een onderwijzeres zonder zo'n akte veel moeilijker aan een baantje kon komen.

Wat het handwerken als schoolvak betrof, was het bijvoeglijk naamwoord  'nuttig' erg belangrijk. Uiteindelijk moesten de op school opgedane vaardigheden ergens toe dienen. Dat was in de tijd vóór de wegwerpmaatschappij ook het geval. De borstrok werd versteld, de kousen gestopt, de jurk zelf gemaakt. Mooi als de meisjes, de vrouwen dat allemaal konden. Voor zichzelf, voor het gezin, elders voor 'mevrouwen'.

Op de tentoonstelling "Van het naadje en de kous" in het Onderwijsmuseum lezen we een verslagje van Sara Bolt. Zij schrijft:

"Midden jaren '50, ik was acht jaar oud, had ik een strenge handwerkjuffrouw. Ik had een slabbetje gebreid en was blij dat het mij, met m'n linkshandigheid, toch gelukt was. En wat deed deze vrouw?  Zij pakte een schaar, knipte er een stuk uit en leerde me, hoe ik het gat netjes dicht moest mazen!  Absoluut heel nuttig. Maar opvoedkundig niet erg verantwoord! "

De Pronkrol

Een pronkrol was een lange strook aan elkaar genaaide lapjes met verschillende technieken. Meestal gemaakt aan het eind van de 19e, begin 20e eeuw. De meisjes, vanaf 12 jaar oud, werkten enkele jaren aan de pronkrollen. Dit gebeurde vaak op een pensionaat, een instelling waar de meisjes met elkaar woonden en leerden. Lapje voor lapje, zo ging het. Sommige rollen werden wel twaalf meter lang. Menige volwassen vrouw moet aan het maken (goede) herin-neringen hebben gehad. De pronkrol stond niet voor niets bekend als 'Souvenir de ma jeunesse' (Herinnering aan mijn jeugd). Hieronder ziet u enkele pronkrollen aan de muur op de tentoonstelling in het Onderwijsmuseum en vervolgens enkele afzonderlijke delen van de pronkrol nader uitgelicht.

Een voortdurend kruis...

In 1903 - de leerplicht was inmiddels ingesteld - bond Ietje Kooistra (1861-1923), directrice van de enige Rijkskweekschool voor Onderwijzeressen en op dat moment Nederlands bekendste pedagoge, een ongewoon felle strijd aan tegen dat verplichte handwerken. Vanuit het perspectief van het kind deugde het verplichte handwerken van geen kanten, stelde ze. Zij vond, dat alle lagere schoolkinderen, of het nu jongens of meisjes waren, algemene vorming moesten krijgen. Handwerken hoorde daar volgens haar niet bij; dat beschouwde ze als vakonderwijs voor huishouden en beroep. Ook als de lessen na schooltijd plaatsvonden en dus niet ten koste van de algemene vorming gingen, bleef Kooistra er tegen. Dan immers zouden meisjes zwaarder belast worden dan jongens en zou hun gezondheid schade lijden door gebrek aan ontspanning, beweging en frisse lucht.  En tenslotte keerde ze zich vanuit haar individuele benadering van het kind tegen de vanzelfsprekende aanname, dat alle meisjes, omdat ze van het vrouwelijk geslacht waren, handwerken leuk vonden. In 1910 schreef Kooistra aan de Staatscommissie tot reorganisatie van het onderwijs: 

" Hoewel er onder de kinderen echte huismoedertjes zijn, die graag handwerken doen, zijn er onder de meisjes ook, die, zelfs als zij het goed kunnen, een hartgrondigen afkeer hebben van de stiknaden, de eindelooze kousen enz. Er zijn kinderen, voor wie het doen van handwerken een voortdurend kruis is. [...]  De handwerken - vakonderwijs - houden nu neenmaal geen rekening met de neigingen van de kinderen."

Kooistra stelde voor om het vak te vervangen door het onder moderne reformpedagogen populaire Zweedse slöjd, een vorm van handvaardigheid, die zowel jongens als meisjes leuk vonden. Maar veel bijval kreeg ze niet. De dominante opvatting bleef dat het vak onmisbaar was, vooral voor meisjes uit 'de lagere volksklasse'.  Zo zou het nog decennia lang blijven.

En de jongens dan?

De jongens kregen tijdens het handwerkuur van de meisjes een ander vak. Dat kon rekenen of taal zijn, maar meestal kregen ze handenarbeid: werken met hout. Dat meisjes best eens jaloers op de jongens waren, lezen we in een verhaal op de tentoonstelling "Van het naadje en de kous" in het Onderwijsmuseum in Dordrecht, waarin een meisje schrijft:

"Het was 1957, toen ik op de Munnikenwegschool in Oudorp, nu gemeente Alkmaar, zat. Op die lagere school kwam vanaf de tweede klas een handwerkjuf van buiten de meisjes lessen 'nuttige handwerken'  geven.  De jongens kregen op dat tijdstip handenarbeid, zoals timmeren en houtbewerking. We zagen niet van elkaar wat wij deden. Soms vond ik op mijn plek in de klas een gebroken figuurzaagje. Wat had ik dat figuurzagen ook graag gedaan!  Maar ja, op school zat dat er voor mij niet in!"

Nuttige Handwerken in het vervolgonderwijs.

Na de lagere school bleef handwerken lang een vak in allerlei vormen van vervolgonderwijs. Op de huishoudschool en de Mulo kwamen steeds meer technieken aan de orde. De 'industrieschool voor vrouwelijke jeugd' was de kweekvijver voor allerlei beroepen. Veel talent stroomde door richting modewereld, kledingindustrie en onderwijs. (lerares naaldvakken)

Van handwerken tot creatieve handvaardigheid

Het vak handwerken was tot 1974 op de lagere school verplicht. Daarna werd het al gauw minder gegeven en veranderde het in het vak 'textiele werkvormen' , waar jongens ook aan mee konden doen.In 1985, bij de invoering van de Wet op het Basisonderwijs, verdween het vak definitief van de lesroosters. Vanaf 1985 spreken we van het vak handvaardigheid, waarvan het werken met textiel een fractie van het geheel uitmaakt. Het werken met textiel is nu een middel om de gevoelens uit te drukken, dus niet meer om er 'nuttig' mee aan de slag te gaan.

De concrete invulling van de kunstzinnige oriëntatie wordt aan de basisscholen zelf overgelaten. De variatie blijkt groot, de kwaliteit van de aangeboden leerstof ook.