De geschiedenis van de lichamelijke oefening in Nederland. 

In Nederland ontstond pas aan het einde van de 18e eeuw enige belang-stelling voor het gymnastiekonderwijs. In beperkte mate verscheen literatuur over het onderwerp, maar de duidelijkste prikkel kwam van de kennismaking met de gymnastiek op opvoedingsinstituten van de Filantropijnen, een groep onderwijsvernieuwers in het Duitsland van de 18e/19e eeuw. 


Een eerste begin.

Een van de eersten die het nut van bewegen inzag, was medicus Matthias van Geuns (1735-1817), die zich eind 18e eeuw bekommerde om de volksgezondheid. Hij vond het lichaam een geschenk van God dat niet verwaarloosd mocht worden. Toen Nederland in 1806 zijn eerste afgeronde onderwijswet kreeg, werd daarin echter niet over lichamelijke opvoeding gesproken. Om Nederland economisch sterker te maken, moesten kinderen eerst leren lezen, schrijven en rekenen. Gymnastiek stons daarom niet hoog op het verlanglijstje van de overheid. Bovendien waren er weinig schoolgebouwen, zodat een gymnastieklokaal luxe was. Er was een onder-wijzerstekort, laat staan dat onderwijzers verstand hadden van gymnastiek.

Toch deed men vanaf 1814 al pogingen gymnastiekleraren op te leiden. De meest geslaagde daarvan was de militaire gymnastiekschool van de Normaal Schietschool van het leger. Het is dan ook geen toeval dat het NUT op zijn gymscholen later vaak gepensioneerde militairen zou inzetten. Wel kreeg de gymnastiek zo een wat militair karakter.

In Nederland bestond, op oude vollksspelen na, ook geen traditie in sport. Het nut van gymnastiek werd niet ingezien. Een verschijnsel van andere aard was dat men dacht dat van lichamelijke oefening een slechte invloed uitging en dat die sociale onrust veroorzaakte. Duitse geschriften en pamfletten tegen het turnen, waar tussen 1820 en 1840 een politiek getinte turnboycot bestond, werden ook hier gelezen.

Jan van Geuns (1765-1834), zoon van de bovengenoemde Van Geuns, filosoof, leraar en schoolopziener, werd beïnvloed door de Filantropijn Guts Muths en liet in 1812 het eerste Nederlandse boek over lichaamsoefeningen verschijnen. Hij beschreef hierin Guts Muths' systematische verdeling van de stof. Het boek werd meerdere keren herdrukt en had zeker invloed. 

Het NUT en Roelf Gerrit Rijkens.

Belangrijke impulsen voor de gymnastiek gingen uit van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. In 1816 en 1828 schreef zij prijsvragen uit voor regels voor gezondheid en hygiëne voor kinderen. Steevast werd lichamelijke oefening als winnend onderwerp aangedragen. Een prijsvraag uit 1843 had als opdracht een handleiding te maken voor 'kunstmatige lichaamsoefeningen', maar kreeg geen inzendingen. Zij werd zelfs ingetrokken, toen in hetzelfde jaar een boek verscheen van de bekende Groningse onderwijzer Roelf Gerrit Rijkens (1795-1855).  Zijn boek heette: "Praktische handleiding voor kunstmatige ligchaams-oefeningen, ten dienste van huisgezinnen en verschillende inrigtingen voor onderwijs en opvoeding". Toch baseerde ook Rijkens zich op een Duitser, nl. Johann A.L. Werner (1794-1866). Deze Werner was op zijn beurt weer een aanhanger van turnleraar Friedrich Ludwig Jahn (1778-1852). Werner had in Rijkens' tijd veel invloed. Later zou Rijkens worden verweten dat hij door navolging van Werner diens gebrek aan systematiek in ons land bracht.   

Oefeningen met o.a. de 'gymnastische wippen' en de  'gymnastische molen' uit de 'Praktische handleiding' van R.G. Rijkens (1843) 

Rijkens was tevens de eerste  Nederlandse onderwijzer die persoonlijk gymnastiek deed met zijn leerlingen. Al rond 1840 bevonden zich gymtoestellen op het plein naast zijn school. Hij gaf aan jongens èn meisjes les, zowel tijdens als na schooltijd. Een gevolg was, dat bij meerdere scholen speelplaatsen werden ingericht en buiten de scholen om ook speeltuinen.  Toen Rijkens' handleiding in 1843 verscheen, liet het NUT onmiddellijk een afschrift naar haar afdelingen uitgaan, echter zonder veel gevolgen. De onderwijzersopleidingen waren immers beperkt en de klassen te groot. Zelf beval Rijkens voor gymnastiek zo'n tien tot twaalf leerlingen per onderwijzer aan.  

Rijkens vond gymnastiek een van de belangrijkste middelen om de jeugd te helpen opvoeden tot waardige en nuttige leden van de samenleving. Dat gebeurde door de harmonische vorming van lichaam en geest. Dit stelde het kind in staat  'zich vrij te ontwikkelen, te beschaven en veredelen'. 

In In 1846 verzocht het NUT aan koning Willem I de schoolgymnastiek wettelijk te regelen, maar het verzoek werd afgewezen. Daarop voerde de Maatschappij in 1849 uit eigen beweging gymnastiek in op haar scholen en stichtte om te beginnen zes Normaalscholen voor gymnastiek. Deze waren zeer succesvol, vooral die te Rotterdam en Amsterdam, waarvan de eerste al snel zelfstandig werd. In beide steden gaf men gymnastiek op volks- en stadsarmenscholen. Onderwijzers werden daarvoor nageschoold, maar er bleef gebrek aan gespecialiseerde gymnastiekleraren. In 1857 slaagde de Maatschappij erin gymnastiek als niet-verplicht schoolvak  bij het lager onderwijs opgenomen te krijgen. Daarvoor werd ook een akte ingesteld. Zo kon men op de Haarlemse Normaalschool voor Gymnastiek een Akte van Gymnastiek behalen voor het Meer Uitgebreid Onderwijs.    

De methodiek van Adolf Spiess en Alfred Maul 

Sommige gymnasten volgden rond 1860 de nieuwste Duitse vakliteratuur en raakten beïnvloed door het turnen van Adolf Spiess (1810-1858). Dit verbeterde turnen had drie voordelen: het was methodisch beter, pedagogisch meer verantwoord en makkelijker te aanvaarden voor autoriteiten, schoolhoofden en ouders.  Spiess maakte het mogelijk aan grote klassen les te geven en legde de kinderen geen hoog oefenniveau op. Door hem is de gymnastiek eigenlijk tot een echt schoolvak uitgegroeid. De oefeningen moesten de leerlingen vooral gezond houden of maken en het lichaam tot een geschikt instrument van de geest. Het gymnastiektoestel was voor Spiess minder belangrijk, omdat hij van de mogelijkheden van het lichaam uitging en de gymnastiek een middel tot ontspanning voor de leerlingen vond.

Drie soorten oefeningen kwamen volgens Spiess het meest in aanmerking:

    1.  Vrije lichaamsbewegingen (lopen, huppelen, draaien etc.)

    2. Ordeoefeningen, waarbij de leerlingen zich geordend moesten opstellen en verplaatsen.

    3. Oefeninmgen aan het gymnastiektoestel, die in het belang van de oefeningen als geheel waren en klassikaal werden gedaan, nl. oefeningen met hang-, steun- en springtoestellen.   

Toch werden ook weer de methoden van Spiess niet goed toegepast in Nederland. Men lette niet op de logische volgorde in de methodiek en deed een oefening klassikaal zonder op leeftijd en ontwikkeling van de leerlingen te letten. De onderwijsgevenden waren vaak nog in het turnen van Jahn opgeleid en Spiess' studieboeken hadden geen goede systematiek en structuur. Zijn methode werd pas beter toegepast toen Alfred Maul (1828-1907) de gymnastiek van Spiess opnieuw uitwerkte. Veel Nederlandse onderwijzers volgden bij deze Maul herhalingscursussen en diens boeken werden vertaald. De lichamelijke oefeningen van Spiess en Maul samen kreeg uiteindelijk in de jaren 1880 in ons land een sterke basis door de boeken van J.S.G. Disse en L.D. Labberté, die veel bij de opleiding van gymnastiek-leraren zijn gebruikt. 

Gymnastiektoestellen. Illustratie uit: "Theorie der Gymnastiek - Handleiding voor den    aankomende gymnastiek-leraar" door J.S.G. Disse en L.D. Labberté (1891)  

De eenheid van werkern in de gymnastiek kwam pas echt in de jaren 1890 - 1920 tot stand, vooral dankzij Johan Anton van der Boom (1867-1944). Hij beschreef het  'Duits-Nederlandse' turnen in theorie en praktijk. Tot 1920 bleef dit turnen dominant.

Eenheid en kwaliteit van de lichamelijke oefening als schoolvak bleven matig. In 1889 werd een nieuwe Wet op het lager onderwijs aangenomen, die bepaalde dat  'vrije en ordeoefeningen der gymnastiek'  op alle lagere scholen onderwezen moesten worden en dat de onderwijzers zich daartoe moesten bekwamen. Als doelen werden genoemd: gezondheidsbevordering, een esthetische lichaamshouding, ontwikkeling van wilskracht, zelfbeheersing en moed. Men richtte zich in de eerste plaats op oefeningen zonder toestellen: vrije oefeningen, ordeoefeningen en zaalspelen.  

De Zweedse gymnastiek in Nederland  

Van groot belang voor de Nederlandse schoolgymnastiek waren pogingen om de gymnastiekleraren voor de Zweedse gymnastiek te winnen. Al eerder gaven particulioeren hierin privéles, maar de de belangstelling nam echt toe door een boek van de Nederlandse officier Hubert van Blijenburgh (1881-1936), getiteld "Het Zweedsche stelsel van gymnastiek uit het oogpunt van Lichamelijke Vorming beschouwd, o.a. in vergelijking met het Duitsche stelsel" (1910). In zijn boek deed hij een felle aanval op het Duits-Nederlandse stelsel. Zijn kritiek kwam er op neer dat het Duits-Nederlandse stelsel niet wetenschappelijk onderbouwd was en de spieren niet doelmatig ontwikkelde. Zijn boek was dan ook de aanleiding tot de zogenaamde 'stelselstrijd' in Nederland.  

De leerstof is (in vergelijking met het Duits-Nederlandse stelsel) beperkt en eenvoudig. Typisch Zweedse toestellen zijn het wandrek, de springkast en de bank; ze dienden ter verzwaring of lokalisering van de bestaande oefeningen. Het doel is door middel van goede en juist gedoseerde lichaamsbewegingen de gezonde ontwikkeling van het lichaam te bevorderen. Voordelen van het Zweedse stelsel waren, dat de oefeningen slechts een middel vormden en er geen eindoefeningen waren; dat ze eenvoudig waren, opdat het effect daarvan op het lichaam beter te bepalen was; en tenslotte dat er meer aandacht was voor de organen door oefeningen van de functies daarvan (bv. de ademhaling). De Duits-Nederlandse gymnastiek beoogde immers alleen spierontwikkeling. Andere voordelen waren de eenvoudige gelokaliseerde bewegingen zonder wachttijd voor de leerlingen, omdat de oefeningen klassikaal werden uitgevoerd. Ook had de leerkracht meer overzicht. Zoals gezegd maakte het Zweedse stelsel maar schaars gebruik van toestellen en was dus ook niet kostbaar. 

De gymnastieklessen hebben een vaste lesindeling met in een bepaalde volgorde uitgevoerde en voorgeschreven oefeningen. Zodoende wordt de oefening van alle lichaamsdelen gewaarborgd. Tijdens de les vinden willekeurige ademhalingsoefeningen plaats.  

Het boek van Van Blijenburgh zaaide vanwege zijn kritiek veel onrust onder gymnastiekleraren. De 'Vereeniging van Gymnastiek-Onderwijzers in Nederland' besteede twee buitengewone vergaderingen (19 en 21 januari 1911) aan deze kwestie, die geheel gewijd waren aan het weerleggen van de aanvallen van VAn Blijenburgh. De reeds genoemde J.A. van der Boom trad daar op als woordvoerder. Hij vond, dat Van Blijenburgh de Nederlandse schoolgymnastiek op neerbuigende toon als onwetenschappelijk afdeed. Hij vergeleek beide stelsels in een schema. Enerzijds refeerde hij aan toongevende medici, die het Zweedse stelsel bekritiseerden en anderzijds toonde hij aan dat de Duits-Nederlandse gymnastiek een minstens even sterk fundament in de medische wereld had.  Ook wees hij erop, dat het Zweedse stelsel zich bediende van een beperkt aantal en voor elke leeftijdscategorie ongeveer dezelfde oefeningen.

Door deze vergaderingen van de VGON werd de wetenschappelijkheid van de Zweedse gymnastiek behoorlijk in diskrediet gebracht en haar introductie flink afgeremd. De Nederlandse gymnastiekleraar voelde zich bovendien niet thuis in een stelsel dat zich alleen op medische gronden baseerde. Van Blijenburgh had wel succes in legerkringen. Daardoor sijpelde de Zweedse gymnastiek toch het onderwijs binnen, omdat ook in de jaren 1910 nog oud-militairen gymnastiekleraar werden.  In 1920 nam de Haagse Kweekschool de Zweedse gymnastiek als eerste in haar lespakket op. P. Dekker en J. Penders, praktijkdocenten van de Kweekschool, probeerden de Zweedse gymnastiek toen leuker te maken voor kinderen, omdat zij de oefeningen van Van Blijenburgh te saai vonden. Ze deden dat door de arbeids-intensiteit tijdens de les te verhogen door snelheidsverhoging, verlenging van de bewegingsduur en vergroting of precisering van de beweging.  

De practici Dekker en Penders stelden onderstaande 'eischen' waaraan de schoolgymnastiek moest voldoen:
1.    tegemoetkomen aan de bewegingsdrang der kinderen;
2.    een hoeveelheid lichaamsarbeid verstrekken;
3.    een correctief bieden aan schoolschadelijkheden;
4.    de houding aangeven,behouden en verbeteren;
5.    bloedsomloop, ademhaling, spijsvertering en huidfunctie gunstig beïnvloeden;
6.    de juistheid der bewegingen aanleren en onderhouden;
7.    psychische hoedanigheden als: snelheid van handelen, zelfvertrouwen, enz. bevorderen;
8.    gevolgen opleveren, bruikbaar in het praktische leven. 

Behalve in de Haagse Kweekschool vinden we de invloed van dit stelsel terug in de Oostenrijkse School, de medische gymnastiek en de (top)sport.

Opkomst van Ritmische Stromingen.

In het buitenland had nog voor de Eerste Wereldoorlog de pedagogische Reformbeweging zijn invloed op de gymnastiek. Deze wilde dat het kind zich 'natuurlijk' bewoog. Het uitgangspunt was het  'vom Kinde aus', het vanuit het kind zelf te werk gaan. Vertrekpunt was de ontwikkelingsfase, de ervaring en de belevingswereld van het kind. Het maakte dat de belangstelling voor experiment, fantasie, het speelse en het spel, alsmede de interesse voor vrije bewegings-opdrachten zonder gymnastiektoestellen en kleine wedstrijdjes toenam.  Aan het spel was tot dan toe in ons land zeer weinig aandacht besteed. Belangrijke kenmerken van de ritmische gymnastiek waren: basale bewegingsvormen, soms aangevuld met elementen uit het volksdansen, invloed van het kind (kinderdans), handgereedschappen als knots, bal, hoepel, touw, stok, bij voorkeur met eenvoudige muzikale ondersteuning.

De Oostenrijkse School   

Na de Eerste Wereldoorlog vond in Oostenrijk een totale pedagogische hervorming van het onderwijs (Schulreform) plaats. Karl Gaulhofer (1885-1941) en Margarete Streicher (1891-1985) kregen opdracht de lichamelijke opvoeding te hervormen. Zij bouwden aan een antropologische-pedagogische-biologische benadering van de lichamelijke opvoeding en ontwikkelden het  'Systeem van de Oostenrijkse School'. In 1922 publiceerden Gaulhofer en Streicher hun opvattingen in "Grundzüge des Österreichischen Schulturnens." Ze legden met dit boek de basis voor de verspreiding van de grondgedachten van het 'natuurlijke turnen' over Europa.  

In 1932 werd Gaulhofer rector van de ALO Amsterdam. Daarmee kreeg de Oostenrijkse School een uitvalsbasis in Nederland. Inmiddels waren Gaulhofer en Streicher gestart met het bundelen van hun opstellen en lezingen. Dat leidde tussen 1931 en 1959 tot vijf delen "Natürliches Turnen: gesammelte Aufsätze." De lessen bestonden uit vooroefeningen, behendigheidsoefeningen - eerst zonder en dan met toestellen - en aan het einde van de kern van het programma volgde een intensief spel. Gaulhofer en Strteicher creëerden samen een antropologische, pedagogische en biologische benadering van de gymnastiek, die zij het 'natuurlijke turnen' noemden. In hun leerstof zijn al de toen bestaande invloeden herkenbaar, zoals de Duitse, Zweedse en ritmische stromingen, maar ook die van de jeugdbeweging en sport en spel. Toen men elders in Nederland kort na 1945 langzaam afstand begon te nemen van de Oostenrijkse School, sloot men in Zuid-Nederland de vernieuwende impulsen van het Oostenrijkse systeem in de armen. De ideeën werden daar vooral verspreid door de KALO in Tilburg. Eind jaren zeventig verdween de OOstenrijkse School als stroming in Nederland.