Straffen

 

Met de plak en de roe

Als een van de eerste landen verbood Nederland al in 1820 lijfstraffen op school. Niet alle onderwijzers en ouders waren direct overtuigd van de juistheid van dit verbod. Strenge tucht was volgens hen nu eenmaal soms noodzakelijk om een kind te disciplineren en zijn zonden te laten inzien. Fysieke straffen zijn tegen-woordig taboe op school. Een leerkracht die zich niet weet te beheersen, wacht aangifte bij de politie. Een wereld van verschil vergeleken met de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd. Lijfstraffen werden toen als een probaat middel gezien om de orde te handhaven in de vaak overvolle klassen. Zat een ongehoorzaam kind ver weg, dan gooide de meester een 'pechvogel' van stof gevuld met zand naar hem toe. De leerling moest deze dan terugbrengen, waarop hij of zij een duchtig pak slaag ontving. De roe werd gretig gebruikt op de ontblote ruggetjes of achterwerken. Maar de leraar sloeg ook om andere redenen. Met de 'plak' - een ronde houten schijf aan een steel - kregen leerlingen die hun les niet hadden geleerd, letterlijk een tik op de vingers. Volgens de Delftse Schoolwet uit 1547-1548 kregen de leerlingen van de Latijnse school net zo goed slaag voor spreken in de eigen taal als voor hoerenlopen, stelen, naar de dolk of het zwaard grijpen, liegen en brutaal zijn. De rechtvaardiging voor lijfstraffen werd uit de Bijbel gehaald. Zo staat in de Statenvertaling in Spreuken 13:24: 'Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging'. Slaan werd gezien als een verantwoorde opvoedings-methode. Maar het moest weloverwogen gebeuren. De 17e eeuwse predikant Jacobus Koelman stelde: 'De kastijding is een bittere pil, men dient ze te vergulden in wijsheid, en te geven in liefde.'

                                        

Eerder al waarschuwde Valcooch *) in 'Den reghel der Duytsche schoolmeesters'(1591), dat kinderen niet tot bloedens toe mochten worden geslagen. Dat was geen overbodige opmerking. Leraren mochten zelf hun straffen bepalen en waren in principe voor het leven aangesteld. Ze waren heer en meester op hun school. Zo kon in Utrecht een wrede leraar jarenlang zijn gang gaan. Hij werd pas ontslagen toen hij een zieke leerlinge die een kerkdienst had gemist, blijvend invalide had geslagen. Valcooch schreef in zijn handboek voor leraren in het streven het onderwijs te verbeteren. Hij gaf bijvoorbeeld aan hoe leraren de orde in de klas konden handhaven: door consequent te zijn en niet te streng op te treden. Maar ook hij vond slaan geoorloofd. Vooral ook omdat veel kinderen in zijn ogen slecht werden opgevoed.

*) Over Valcooch kunt u meer lezen in het hoofdstuk Tijdvakken => Onderwijs en Opvoeding in de 17e eeuw (onderaan!)  Klik hier

Behalve lijfstraffen werden er ook allerlei andere straffen uitgedeeld. Op het schaamtegevoel van het kind werken was ook effectief. Soms moest het stoute kind de hele dag een bord om de hals dragen met het opschrift 'domoor' of  'kwaaddoener'. Ook werd gebruik gemaakt van het ezelsbord; kinderen kregen het ezelsbord omgehangen, als zij dom waren geweest. Het schandbord, dat heel zwaar was, werd gebruikt als kinderen iets schandelijks hadden gedaan, zoals liegen, plagen of stelen. Terwijl het ezelsbord ìn de school werd gebruikt, moest het kind met een schandbord vaak buiten de school staan zodat iedereen het kon zien.

Er is aanvankelijk nog weinig tegenstand tegen lijfstraffen, maar wel put men zich uit in allerlei regels en voorwaarden daarbij:

·         Het kind dient de straf als terecht te ervaren.

·         Het moet de zin inzien van de straf.

·         De straf moet aangepast zijn aan leeftijd en persoon van het kind.

·         Elke straf dient een duidelijk einde te hebben.

·         Men mag het kind niet steeds aan een gegeven straf blijven herinneren.

·         Als men de straf heeft ondergaan is alles weer vergeven en vergeven

Aan het einde van de 19e eeuw komt in de wet te staan dat er op school niet meer geslagen mag worden. Dat mocht dan wel in de wet staan, het gebeurde nog wel. Een kind had vrij snel een draai om de oren te pakken. Een pets met een liniaal over de vingers, of muilperen van "klits-klets-klanderen", het kwam allemaal voor. De vernedering om een half uur met je gezicht naar het bord te staan met je armen vooruit, soms zelfs met een paar zware boeken erop, of geknield met je blote knietjes op de planken vloer voor het bord te moeten zitten was evenmin gering.Sommige leerkrachten gingen zo ver, dat de kinderen met hun blote knieën op de klompen moesten steunen.

Zoals gezegd: in 1820 kwam er echter een algeheel landelijk verbod op lijfstraffen op school, alhoewel het nog heel lang zou duren voordat alle onderwijzers zich eraan hielden. Wat hielp bij het verdwijnen van lijfstraffen was de invoering van het klassikale onderwijs begin 19e eeuw. Daardoor werd het veel gemakkelijker geworden om de orde te handhaven. De schoolwetten hadden bovendien de schoolopzieners tot gevolg, van wie een aantal fel campagne voerde tegen roede en plak. De Groningse schoolopziener Van Swinderen gooide ze in 1815 in het vuur, wanneer hij ze nog tegenkwam.

Orde en regels in de eerste helft van de 20e eeuw.

Er worden op school aan de kinderen bepaalde gedragsregels opgelegd, soms streng, soms soepeler. Dat hing af van de omstandigheden en de aard van de meesters af. Reeds het binnengaan van de school is aan regels gebonden. Vaak marcheren de kinderen in rijen van twee, de jongens voorop, gevolgd door de meisjes. Ook het betreden en verlaten van de klas gebeurt ordelijk, soms 'op tel', evenals het doorgeven van boekjes en schriften. Iedereen heeft in de gang een eigen kapstok.

Het zitten vereiste een bepaalde techniek. Meestal is het: "Armen over elkaar", maar bij sommige meesters moeten de handen op de rug. Een indrukwekkende variatie is het 'mooi zitten': wie graag een antwoord wilde geven of een karweitje wilde opknappen, spant het lichaam achterover, de armen gevouwen. Sommige kinderen verhoogden het effect hiervan door hun gekruiste armen tot de kin omhoog te tillen. Ook het 'vinger opsteken' groeide soms uit tot een gecompliceerd systeem. Weet je op een vraag het antwoord: één vinger omhoog; wil je de meester iets vragen: twee vingers opsteken; moet je 'naar achteren': drie vingers of de hele hand de lucht in. en daarbij dan hevig wiebelen.

mooi zitten                                  schoolregels: klik op de foto 

In het boek "Onderwijs en Opvoeding, leerboek voor Kweek- en Normaalscholen" van H.Scheepstra, dat in 1901 verscheen bij Wolters, lezen we onder het kopje 'Lichamelijke straffen' 

" Een flink onderwijzer zou in verzoeking kunnen komen, zich hierin te bezondigen. Dat zou hem zeker later spijten. Maar er zijn van die individuen, die een onderwijzer het leven vergallen, waardoor ook de meest kalme onderwijzer zijn geduld verliest, en dan - een klap, een aantal klappen, een pask ransel. We hebben het al eerder opgemerkt: zulke individuen eischen een afzonderlijke behandeling; zij behooren niet thuis in de gewone lagere school. Daar behoeft niet lichamelijk te worden gestraft; het kan er best buiten. Een lichamelijke straf wordt gewoonlijk alleen in drift toegepast en is daarmee reeds veroordeeld. Zij bederft de goede verhouding tusschen onderwijzer en leerling. Wie eenmaal begonnen is te slaan, kan er niet meer buiten; hij slaat of stompt of knijpt voor elk vergrijp. Hiermee willen we niet beweren, dat voor de opvoeding van sommige kinderen lichamelijke straf niet heilzaam kan werken, maar in de gewone lagere school behoort die straf niet thuis. De ouders vertrouwen hun kinderen toe aan den onderwijzer, ze worden genoodzaakt dit te doen; ze eischen, ze hebben daar het recht toe, van hem een humane behandeling van hun kinderen...."

In de notulen van 18 maart 1901 van de Vereniging voor Christelijk Onderwijs in Brielle lezen we over "twee gevallen van lichamelijke kastijding". De voorzitter en de sekretaris zullen het onderwijzend personeel er op wijzen, dat dit niet kan. Op de ledenvergadering van 8 februari 1916 van dezelfde schoolvereniging vindt ds. Erdman het pedagogisch onjuist, om een kind voor straf vóór de klas te plaatsen.

In 1927 verschijnen er twee boekjes van J. Riemens-Reurslag, resp. getiteld: "De opvoeding van het kind van de geboorte tot den schoolleeftijd" en "De opvoeding van het kind gedurende de Lagere-School-Jaren". De boekjes zijn uitgegeven door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. In het tweede boekje lezen we op blz. 13:

"Slechts één reden is er, een kind van school te nemen, of te vragen of het bij een anderen onderwijzer geplaatst kan worden, nl. als deze het kind schamper, spottend, met hoon behandelt. Niets slaat zulke diepe wonden, wonden, die op volwassen leeftijd nog kunnen bloeden. Het is heel goed, dat den onderwijzers verboden is, de kinderen te slaan; maar een enkele klap, in drift gegeven, is no"g niet zoo erg als een koude, cynische behandeling, waaronder het kind ineenkrimpt. En vooral is dit verschrik-kelijk, als het kind beleedigd wordt in zijn ouders. "Ben jij net zoo'n mooie als die vader van jou?" Het is heel gemakkelijk, een kind te vernederen, belachelijk te maken. 't Is een klein kunstje, een grooten man onwaardig...."  We zien, dat theorie en praktijk nog jarenlang niet hand in hand gingen.

Tot ver na de tweede wereldoorlog bleef het in onze 21e-eeuwse ogen erg streng op de scholen in Nederland. Ook in de hoek staan, op de gang gezet worden of nablijven en stapels strafregels schrijven bleven geliefde maatregelen om de leerling een lesje te leren. Op de meeste scholen van nu worden dit soort straffen niet meer gegeven. Apart zitten of even op de gang om af te koelen is normaal. Er wordt ook meer gepraat met de leerlingen: Waarom doe je zo? Wat is er aan de hand?