DE SCHOOLSTRIJD

     Groen van Prinsterer               Abraham, Kuyper                        Schaepman   

Voor het begin van de schoolstrijd moeten wij teruggaan naar het jaar 1806, toen voor het eerst in ons land een wet tot stand kwam die het lager onderwijs regelde. Door die schoolwet verloor de oude Hervormde (of Gereformeerde) Kerk de zeggenschap over het onderwijs aan de staat. Dit betekende niet dat de staatsschool, de openbare school die nu ontstond, ook volledig haar christelijke karakter verloor. De schoolmeester moest de christelijke godsdienst blijven onderwijzen.

Maar in plaats van de geopenbaarde godsdienst, d.w.z. de rechtzinnige leer, zoals die (nog) door de grote meerderheid van de protestanten werd beleden, kwam een soort natuurlijke godsdienst, die weinig dogmatisch was en in de praktijk van het geestelijk leven neerkwam op een optimistische zedenleer waarin een direct verband werd gelegd tussen kennis en deugd. Vandaar dat in de schoolwetten jarenlang de bekende zinsnede zou staan, dat de openbare school moest opvoeden tot ‘alle Christelijke en maatschappelijke deugden’. Deze ‘godsdienst boven geloofsverdeeldheid’ vond zijn aanhang voornamelijk onder de welgestelde burgerij, die door het beperkte kerkelijke en politieke kiesrecht de dienst uitmaakte in kerk en staat. Tegen deze zelfgenoegzame en rationa-listische godsdienstigheid van deze maatschappelijke bovenlaag rees steeds meer verzet. Dit manifesteerde zich in het Réveil, dat tussen 1820 en 1860 grote invloed heeft gehad op het geestelijk leven in ons land. Het Réveil was geen organisatie, wel een beweging, die gekenmerkt werd door een hernieuwde spiritualiteit met een piëtistische inslag en die zijn aanhang vooral in aristocratische kringen vond. Daarnaast was er – met name onder het gewone volk – sprake van een terugkeer naar de dogmatische opvattingen van de Reformatie, vooral die van Calvijn. Deze orthodoxe herleving leidde tot de Afscheiding van 1834, en zo ontstonden de Christelijke Gereformeerde of Afgescheiden Kerken. De meeste aanhangers van het Réveil bleven binnen de Nederlandse Hervormde Kerk, zoals de dichter Isaäc da Costa, de staatsman en historicus Guillaume Groen van Prinsterer en de predikant en filantroop O.G. Heldring. Het waren met name deze Réveil-figuren die leiding gaven aan de schoolstrijd, die omstreeks 1840 een aanvang neemt.

De geleidelijke ontwikkeling van het openbaar onderwijs in neutrale richting riep een tweetal reacties op. Sommigen, zoals Groen van Prinsterer, streefden naar herstel van het godsdienstig karakter van de openbare school, waarbij men bereid was tot een facultatieve splitsing van de openbare school in gezindtescholen, d.w.z. aparte scholen voor protestanten, rooms-katholieken en joden. Daarnaast ontstonden er, m.n. onder de aanhangers van de Afscheiding, hier en daar bijzondere christelijke scholen als alternatief voor het openbaar onderwijs. Deze mensen hadden de herkerstening van de openbare school in feite hadden afgeschreven. Het dilemma tussen herkerstening van de openbare school en de bevordering van de bijzondere christelijke school zou lange tijd blijven bestaan en voor ernstige verdeeldheid zorgen onder de aanhangers van orthodox-christelijk onderwijs.

Met name bleek dit bij de behandeling van de wet op het lager onderwijs van 1857. Deze wetswijziging was noodzakelijk geworden, nadat de Grondwet van 1848 (Thorbecke) het bestaansrecht van het bijzonder onderwijs had erkend onder handhaving van de bevoorrechte positie van het openbaar onderwijs.

Bij zijn heroptreden als kamerlid in 1862 had Groen van Prinsterer zijn ideaal van de christelijke (facultatief gesplitste) staatsschool prijsgegeven en zich ontpopt als pleitbezorger van het bijzonder onderwijs.

Deze verandering van positie, die wat Groen betreft uit de nood geboren was – in zijn hart bleef hij zijn oude ideaal koesteren -, bracht hem in de jaren zestig in steeds scherper conflict met diegenen die hun heil bleven zoeken in herkerstening van de openbare school. Met name de aanhangers van de ethisch-irenische richting in de Hervormde Kerk, zoals Beets, Chantepie de la Saussaye en Van Toorenenbergen, wensten de openbare school niet los te laten ten gunste van de bijzondere school.

In 1869 kwam het in Utrecht tot een breuk tussen Groen en zijn jonge medestander, de Utrechtse predikant Abraham Kuyper enerzijds, en Beets en de ethisch-irenischen anderzijds. De vraag was, welke houding met tegenover het openbaar onderwijs moest aannemen. Groen en Kuyper wensten de openbare school duidelijk als neutrale school aan de kaak te stellen, teneinde ruimte te scheppen voor de uitbouw van het bijzonder christelijk onderwijs. Beets wees er daarentegen op dat de openbare school volgens de wet ook diende op te leiden tot ‘christelijke deugden’ en pleiite voor handhaving en versterking van haar christelijk karakter. Groens voorstel het woord ‘christelijk’ uit de schoolwet te schrappen werd na een fel debat tussen Kuyper en Beets door de vergadering aanvaard. Mede door de inzet van Groens opvolgers Kuyper en De Savornin Lohman zou de gelijkberechtiging van het bijzonder onderwijs het voornaamste doel worden in de fase die de schoolstrijd in de jaren zeventig inging.

Ondanks de grote financiële offers die de voorstanders van het bijzonder onderwijs zich moesten getroosten, was het streven naar overheidssubsidie in hun kring niet onomstreden. Veel afgescheidenen waren aanvankelijk zelfs tegen het aanvaarden van elke geldelijke bijdrage van de overheid. Men redeneerde als volgt: “Een subsidiestelsel doet de knie buigen voor den Baäl der staatssubsidie, maakt de Christelijke school afhankelijk van de betaalmeesters”. Anderen vreesden dat rechtstreekse subsidiëring de staat het recht zou geven zich te zeer met de inhoud van het onderwijs te bemoeien. Vandaar dat men aanvankelijk de voorkeur gaf aan indirecte vormen van overheidssteun. Zo was Kuyper enige tijd voorstander van het ‘subventiestelsel’, waarbij niet de school de geldelijke bijdrage kreeg, maar de ouders, om hun kinderen naar de school van hun keuze te kunnen sturen. Anderen pleitten voor het ‘restitutiestelsel’ , d.w.z. uitkering aan de bijzondere scholen van de bedragen, die zij aan de gemeentebesturen uitspaarden. Voornamelijk om redenen van praktische uitvoerbaarheid werden deze stelsels echter na verloop van tijd weer losgelaten.

Het wezen van de openbare school na 1848

Zoals we reeds zagen, ontwikkelde de openbare school zich geleidelijk in neutrale richting. Op veel openbare scholen verdween de bijbel uit het lesprogramma. Aan de andere kant werd de neutraliteit van de openbare school aangepast aan de plaatselijke omstandigheden. Had een bepaalde plaats een overwegend hervormd karakter, dan droeg de openbare school ter plaatse in de praktijk een hervormd karakter en werd er op school wel gebeden, uit de bijbel verteld en christelijke liederen gezongen.

In Garderen en Putten veranderden de openbare scholen in 1923 van openbaar in Hervormd, omdat de meeste kinderen op die openbare scholen Hervormd waren.  In Den Hoorn (Z-H.) werd de Openbare School vóór 1922 voornamelijk bevolkt door Protestantse en Rooms-Katholieke kinderen. Na de financiële gelijkstelling (1920) werd op 1 oktober 1922 de openbare school opgeheven. De katholieke kinderen gingen naar de nieuwe Mariaschool in de Schoolstraat. De protestantse kinderen bleven in het gebouw van de openbare school, dat toen een protestants christelijke school werd.

In Barneveld werd in 1922 de Openbare School omgevormd tot Hervormde School, omdat de meeste kinderen van de Openbare School overgaan naar de Hervormde School, die in 1922 een Schoolvereniging had opgericht. Ditzelfde verschijnsel treffen we aan in Kethel (bij Schiedam) en De Glindt (bij Barneveld).

Algemeen zien we vooral in zeer kerkelijke streken ( bv. de zgn. 'Biblebelt' ), dat na de stichting van de Hervormde School de Openbare School ter plaatse na verloop van tijd wordt opgeheven vanwege sterke daling van het leerlingenaantal. Door de groei van de dorpen en 'import' van mensen buiten de regio worden later de Openbare Scholen weer (her)opgericht.

Steeds meer bijzondere scholen.  

Na 1857 werden steeds meer bijzondere scholen opgericht, omdat deze na de nieuwe Grondwet van 1848 en het tot stand komen van de schoolwet-Van der Brugghen zonder overheidstoestemming konden worden gesticht. Van overheidssubsidie was toen echter nog geen sprake. Daarnaast ontstonden er ook enkele landelijke organisaties ten behoeve van het christelijk onderwijs. In 1854 werd de Vereeniging van Christelijke Onderwijzers opgericht.I n 1860 werd de Vereeniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs (CNS)  opgericht, waar Groen van Prinsterer jarenlang erevoorzitter van is geweest. Bij deze organisatie sloten zich met name ‘gemengde scholen’ aan, d.w.z. scholen waarvan de stichters c.q. beheerders tot meer dan één kerkelijke richting behoorden. De Vereeniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs, opgericht in 1868, omvatte voornamelijk gereformeerde scholen.

In 1890 richtten de Hervormden de Vereeniging voor Christelijk Volksonderwijs (CVO) op, die een verzamelpunt werd voor specifiek hervormde scholen.

Ondanks deze kerkelijke verdeeldheid streden hervormden en gereformeerden samen verder voor de bijzondere christelijke school. Opvallend is wel, dat de Gereformeerden de eersten waren, die scholen met de bijbel stichtten; de Hervormden kwamen later of pas na de gelijkstelling in 1920.

Wat de bestuursvorm betreft, waren er aanvankelijk de volgende typen scholen:

1.    Scholen, uitgaande van een kerk

2.    Associatie-scholen, bestuurd door ouders

 Scholen van het type 2 sloten zich veelal aan bij de Vereeniging CNS.

Het Volkspetitionnement van 1878

Was de schoolwet van 1857 al een teleurstelling geweest voor vele orthodoxe protestanten, omdat zij de secularisering van de openbare school in de hand werkte zonder de oprichting van bijkzonderre (christelijke) scholen financieel mogelijk te maken, men gaf de moed niet op. Men bleef onder leidinmg van Groen van Prinsterer actie voeren om de wet in een voor het bijzonder onderwijs gunstige zin te wijzigen. In 1872 werd het Anti-Schoolwet Verbond opgericht, dat de acties tegen de schoolwet van 1857 ging coördineren.

 Na Groens dood in 1876 namen Kuyper en De Savornin Lohman de leiding van de schoolstrijd van hem over. De Liberalen, de grote tegenstanders van de bijzondere school, gaven echter niet toe. De leider van de Liberalen in de Tweede Kamer, mr. J. Kappeyne van de Coppello, hield in 1874 een rede waarin hij de verantwoordelijkheid van de staat voor de kwaliteit van het onderwijs sterk beklemtoonde.  Het onderwijs gegeven door de openbare school zou de idealen van het 'denkend deel der natie' moeten weerspiegelen. In die rede liet Kappeyne zich over de voorstanders van de bijzondere school uit in de volgende, voor een liberaal wel krasse, bewoordingen: "Zegt men 'indien gij dat wilt, onderdrukt gij de minderheid', zou ik bijna zeggen: 'Welnu, dan moet die minderheid maar onderdrukt worden, want dan is zij de vlieg, die de gansche zalf bederft'.  Deze zelfde Kappeyne van de Coppello werd in 1877 minister-president en minister van binnenlandse zaken. Het jaar daarop (1878) diende hij een ontwerp voor een nieuwe schoolwet in, waarion hogere eisen werden gesteld, ook aan het bijzonder onderwijs. Dit betekende dat de concurrentiepositie van het christelijk onderwijs t.o.v. het openbaar onderwijs aanmerkelijk slechter werd, omdat het bijzonder opnderwijs de financiële lasten van de voorgestelde verbeteringen zelf moest dragen. Er was in die wet geen sprake van dat aan het bijzonder onderwijs ook maar enige subsidie in het vooruitzicht werd gesteld. Het voorstel van Kappeyne werd door het parlement aanvaard, ondanks heftig verzetvan de antirevolutionairen en rooms-katholieken. Deze laatsten schaarden zich van nu af aan aan de zijde van Kuyper en de zijnen in de schoolstrijd. Hoewel antirevolutionairen en rooms-katholieken samen geen meerderheid in de Kamer hadden, ontstond er buiten het parlement een ware volksbeweging onder protestanten en katholieken tegen de schoolwet-Kappeyne. Samen met De Savornin Lohman en B.J.L. baron de Geer van Jutphaas nam Kuyper het initiatief tot het indienen van een Volkspetitionnement, waarin koning Willem III verzocht werd zijn handtekening onder de wet-Kappeyne niet te plaatsen. Verder bevatte het petitionnement een pleidooi voor het recht van bijzondere of 'vrije' scholen. De actie van Kuyper en de zijnen sloeg geweldig aan, mede door de steun van CNS en het Anti-Schoolwet Verbond, die bij de organisatie van het petitionnement een belangrijke rol speelden. Op 18 juli 1878 was de wet door de Tweede Kamer aangenomen. In de week van 20 tot 26 juli werden kerkenraden en personen van boven de twintig jaar benaderd om hun handtekening onder het Volkspetitionnement te zetten. Het werden er 305.102, terwijl 306 kerkenraden der Hervormde Kerk en 108 der Christelijke Gereformeerde Kerken hun adhesie betuigden. Ruim 100.000 rooms-katholieken tekenden een soortgelijke petitie.

Op zaterdag 3 augustus 1878 's middags om twee uur werd een deputatie van 25 heren, onder leiding van jhr.P.J. Elout van Soeterwoude, op Het Loo in Apeldoorn ontvangen door koning Willem III. Men bood hem de petitie aan, die eindigde met de woorden: "Plaats, Sire, onder zulk een Wetsvoordracht Uwe Koninklijke handteekening nooit!".  Tot grote teleurstelling van de ondertekenaars tekende de koning de wet op 17 augustus echter toch. Toch was de beweging van het Volkspetitionnement het hoogtepunt van de Schoolstrijd. Het aantal aanhangers van het christelijk onderwijs bleek veel groter dan men had kunnen vermoeden. Niet alleen vele orthodox-hervormden, maar ook vele ethisch-hervormden plaatsten hun handtekening. Men kan in het algemeen constateren dat in en door deze beweging de steun aan het christelijke onderwijs in de Hervormde Kerk toenam, niet bij de synode, wel op het grondvlak bij predikanten en lidmaten. Het Volkspetitionnement zou nog nog in een ander opzicht grote gevolgen hebben. Op 23 januari 1879 (herdenkingsdag van 300 jaar Unie van Utrecht) kwam een groot aantal afgevaardigden van de locale comité's die het Volkspetitionnement hadden georganiseerd bijeen in Utrecht. Zij richtten daar de Unie "Een School met den Bijbel" op. Doel van de organisatie was om als een grote, losse bond de krachten in de schoolstrijd verder te bundelen. Jaarlijks zou op 17 augustus, de Unie-collecte worden gehouden ter financiële ondersteuning, landelijk en plaatselijk, van het christelijk onderwijs. 

De Doleantie

De Doleantie van 1886, die leidde tot een scheuring in de Nederlandse Hervormde Kerk, bracht ook in het christelijk onderwijs grote beroering teweeg , in de eerste plaats op plaatselijk niveau. Zo voegde te Nederhorst den Berg het hoofd der school zich bij de dolerenden, waarna hij door het hervormd bestuur werd ontslagen. Te Anjum was de predikant met het grootste deel der gemeente dolerend geworden. Het hoofd der school bleef echter lid van de Hervormde Kerk en werd daarom ontslagen. Ook aan Maasland (Z-H) is de Doleantie niet voorbijgegaan . Het tijdperk 1888 – 1891 vormt een donkere bladzijde in de geschiedenis van Maasland. Onderlinge twist tussen gemeenteleden en scheiding der geesten. De Hervormde Kerk in Maasland telt in die jaren zo’n 2000 leden. Ruim 700 leden verlaten de kerk. Ze worden ‘dolerend’. Het grootste deel van de toen zittende bestuursleden en ouders van de Chr. School is de doleantie toegedaan. Omdat er geen enkele organisatorische binding met de Ned. Hervormde Kerk bestaat, gaat de Christelijke School met de dolerenden mee en wordt dan in 1888 de Gereformeerde School. De hervormde ouders stuurden daarop hun kinderen terug naar de openbare school, totdat zij zelf in 1894 een nieuwe school konden openen.

Ook de positie van de Vereniging C.N.S. kwam in discussie. Het ging over de vraag of de Ver. C.N.S. krachtens haar statuten verplicht was de Hervormde Kerk aan haar roeping ten aanzien van het christelijk onderwijs te herinneren en haar zodanig dus als ware kerk te blijven erkennen. Hoewel CNS een gemengde hervormd/gereformeerde vereniging bleef, hebben verschillende hervormden haar op den duur toch verlaten. Zij richtten in 1890 de Vereeniging voor Christelijk Volksonderwijs (CVO) op.

Oprichting van de Antirevolutionaire Partij.

Kuypers doel was het volk achter de kiezers te organiseren en te mobiliseren. Daartoe vormde hij de losse antirevolutionaire groepering, die sinds lang vertegenwoordigers had in de Eerste en Tweede Kamer, òm tot een officiële, hecht gestructureerde partij. Op 3 april 1879 werd in Utrecht de Antirevolutionaire Partij opgericht, met medewerking van dezelfde personen die enkele maanden tevoren ook de Unie 'Een School met den Bijbel' hadden gesticht. De Antirevolutionaire Partij zocht in het parlement toenadering tot de rooms-katholieke afgevaardigden, geleid door Schaepman, die zich eveneens inzette voor de bijzondere school. De antirevolutionairen en de rooms-katholieken werden bondgenoten in de schoolstrijd, en daardoor ook op andere politieke terreinen. De confessionelen weigerden mee te werken aan de uitbreiding van het kiesrecht, zolang het grondwetsartikel betreffende het onderwijs ongewijzigd bleef. Op den duur had deze tactiek succes.

Op weg naar financiële gelijkheid.

Geleidelijk aan kwam er beweging in het standpunt der liberalen. Zij realiseerden zich dat de openbare school door de onderwijspolitiek van de regering inmiddels van karakter veranderd was, dat menigeen terecht niet meer van haar gediend was. Ook merkten zij dat de schoolstrijd hun politieke positie eerder verzwakte dan versterkte en mede daardoor werden zij ontvankelijk voor de argumenten van hun tegenstanders.

De doorbraak kwam bij de stemming over de grondwetsherziening in 1887, toen een aantal liberalen verklaarde dat het onderwijsartikel in de Grondwet financiële ondersteuning door de overheid van het bijzonder onderwijs niet in de weg stond. Van nu af was de weg vrij voor subsidiëring van het bijzonder onderwijs. De kiesrechtuitbreiding die bij dezelfde grondwetsherziening tot stand kwam, stelde de confessionele partijen in staat van deze doorbraak op onderwijsgebied gebruik te maken. Bij de verkiezingen van 1888, waaraan door een groter deel van hun aanhang kon worden deelgenomen, behaalden antirevolutionairen en rooms-katholieken 54 van de 100 zetels in de Tweede Kamer, waarna het eerste christelijke coalitiekabinet gevormd werd onder leiding van mr. A.E. baron Mackay. Deze diende een nieuw schoolontwerp in dat voorzag in gedeeltelijke subsidiëring van het bijzonder onderwijs door de staat. Het beginsel van de wet was gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs t.o.v. de schatkist, behalve ten aanzien van het stichten en onderhouden der gebouwen. In de praktijk betekende dit dat het bijzonder onderwijs een subsidie kreeg, waaruit ongeveer een derde van de kosten bestreden kon worden. Dit gematigde wetsontwerp werd in 1889 aanvaard, ook door de in meerderheid liberale Eerste Kamer. In de kring van het bijzonder onderwijs was men dankbaar over het bereikte resultaat, maar niet voldaan, omdat de nieuwe wet nog lang geen volledige gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs had gebracht. Toch stuurde de Vereeniging van Christelijke Onderwijzers en Onderwijzeressen een dankbetuiging naar het ministerie. Hun salarissen konden dankzij de wet in elk geval verbeterd worden.

Het eerste decennium van de twinstigste eeuw.

In het begin van de 20e eeuw verscheen met de opkomst van de sociaal-democratie een nieuwe partij op het politieke toneel, die eveneens haar standpunt inzake de schoolkwestie diende te bepalen. Van groot belang was in dit vberband de motie die in 1902 op het congres van de SDAP te Groningen werd aangenomen. In de motie wordt van de regering geëist, dat zij de kosten draagt van het onderwijs, zowel openbaar als bijzonder. Omdat een groot deel der arbeidende klasse in Nederland voor zijn kinderen godsdienstig onderwijs eist, vindt de SDAP het ongewenst het daarin tegen te werken, omdat de sociaal-democratie de eenheid der arbeidende klasse tegen gelovige en ongelovige kapitalisten op maatschappelijk gebied niet terwille van theologische geschilpunten wenst te verstoren.

Deze 'Groninger schoolmotie' hield dus in dat de SDAP onder bepaalde voorwaarden bereid was de financiële gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs te steunen. De SDAP gunde de christelijke arbeiders hun eigen bijzondere school, omdat zij met dit standpunt de christelijke arbeiders voor het socialisme hoopte te winnen. Troelstra bracht het als volgt onder woorden: "Om den klassenstrijd te redden, laten wij den geloofsstrijd rusten" .

In 1905 presenteerde het kabinet Kuyper (1901-1905) een nieuwe onderwijswet, die o.m. een verbetering van de rechtspositie van de onderwijsgevenden bij het bijzonder onderwijs bracht. Ondanks het verzet van liberalen en socialisten (!) werd de wet door de rechtse meerderheid in het parlement aangenomen.

Het kabinet-Heemskerk (1908-1913), dat ook weer steunde op een rechtse meerderheid, verruimde niet alleen de subsidie voor het bijzonder lager onderwijs, maar brascht in 1909 ook een wijziging en aanvulling van de wet op het middelbaar onderwijs tot stand, waarbij de mogelijkheid van de verlening van subsidie aan bijzondere middelbare scholen werd aanvaard.

Omdat de rechtse coalitie de verkiezingen van 1913 verloor, moest het kabinet-Heemskerk plaats maken voor een extraparlementair kabinet o.l.v. de liberaal mr. P.W.A. Cort van der Linden. Cort van der Linden wenste als een 'eerlijke makelaar' de twee kwesties te regelen die links en rechts in ons land al zo lang verdeeld hielden, nl. de schoolkwestie en de kiesrechtkwestie. Door rechts wat te laten toegeven op het gebied vsan het kiesrecht en door links tot inschikkelijkheid te bewegen ten aanzien van de schoolkwestie, hoopte hij voor beide kwesties een voor allen aanvaardbare oplossing te vinden. In deze opzet slaagde hij, mede omdat de geesten rijp waren voor een compromis en beide partijen elkaar al dicht genaderd waren door de feitelijke ontwikkeling van het kiesrecht en het onderwijs.

In 1913 werd een staatscommissie in het leven geroepen, waarin van alle zeven partijen de fractievoorzitters en de onderwijsspecialist zitting namen. In deze zogeheten 'bevredigingscommissie', waarin Lohman (vice voorzitter) en de vrijzinnig-democraat dr. D.Bos (voorzitter) de toon aangaven, vonden links en rechts elkaar in 1916 in een compromis, dat uitging van de gelijke positie van beide schooltypen en geen van beide tot 'regel' of 'aanvulling' maakte. De voorstellen van de commissie werden bij de grondwets-herziening van 1917 door het parlement aanvaard. Openbaar en bijzonder onderwijs werden gelijkberechtigd, naar dezelfde maatstaf bekostigd. De nieuwe onderwijsbepaling in de Grondwet werd in 1920 uitgewerkt in de wet op het lager onderwijs door dr.J.Th. de Visser, die tevens als eerste bewindsman het nieuw ingestelde departement van onderwijs beheerde. Op 29 september 1920 werd door de organisaties van het christelijk onderwijs een dankdienst gehouden in de Domkerk te Utrecht.