DE  SCHOOLSTRIJD VANAF 1848

                                             een chronologisch overzicht


Voor het begin van de schoolstrijd moeten wij teruggaan naar het jaar 1806, toen voor het eerst in ons land een wet tot stand kwam die het lager onderwijs regelde. Door die schoolwet verloor de oude Hervormde (of Gereformeerde) Kerk de zeggenschap over het onderwijs aan de staat. Dit betekende niet dat de staatsschool, de openbare school die nu ontstond, ook volledig haar christelijke karakter verloor. De schoolmeester moest de christelijke godsdienst blijven onderwijzen. Maar in plaats van de geopenbaarde godsdienst, d.w.z. de rechtzinnige leer, zoals die (nog) door de grote meerderheid van de protestanten werd beleden, kwam een soort natuurlijke godsdienst, die weinig dogmatisch was en in de praktijk van het geestelijk leven neerkwam op een optimistische zedenleer waarin een direct verband werd gelegd tussen kennis en deugd. Vandaar dat in de schoolwetten jarenlang de bekende zinsnede zou staan, dat de openbare school moest opvoeden tot ‘alle Christelijke en maatschappelijke deugden’. Deze ‘godsdienst boven geloofsverdeeldheid’ vond zijn aanhang voornamelijk onder de welgestelde burgerij, die door het beperkte kerkelijke en politieke kiesrecht de dienst uitmaakte in kerk en staat. Tegen deze zelfgenoegzame en rationalistische godsdienstigheid van deze maatschappelijke bovenlaag rees steeds meer verzet. Dit manifesteerde zich in het Réveil, dat tussen 1820 en 1860 grote invloed heeft gehad op het geestelijk leven in ons land. Het Réveil was geen organisatie, wel een beweging, die gekenmerkt werd door een hernieuwde spiritualiteit met een piëtistische inslag en die zijn aanhang vooral in aristocratische kringen vond. Daarnaast was er – met name onder het gewone volk – sprake van een terugkeer naar de dogmatische opvattingen van de Reformatie, vooral die van Calvijn. Deze orthodoxe herleving leidde tot de Afscheiding van 1834, en zo ontstonden de Christelijke Gereformeerde of Afgescheiden Kerken. De meeste aanhangers van het Réveil bleven binnen de Nederlandse Hervormde Kerk, zoals de dichter Isaäc da Costa, de staatsman en historicus Guillaume Groen van Prinsterer en de predikant en filantroop O.G. Heldring. Het waren met name deze Réveil-figuren die leiding gaven aan de schoolstrijd, die omstreeks 1840 een aanvang neemt.

De geleidelijke ontwikkeling van het openbaar onderwijs in neutrale richting riep een tweetal reacties op. Sommigen, zoals Groen van Prinsterer, streefden naar herstel van het godsdienstig karakter van de openbare school, waarbij men bereid was tot een facultatieve splitsing van de openbare school in gezindtescholen, d.w.z. aparte scholen voor protestanten, rooms-katholieken en joden. Daarnaast ontstonden er, m.n. onder de aanhangers van de Afscheiding, hier en daar bijzondere christelijke scholen als alternatief voor het openbaar onderwijs. Deze mensen hadden de herkerstening van de openbare school in feite hadden afgeschreven. Het dilemma tussen herkerstening van de openbare school en de bevordering van de bijzondere christelijke school zou lange tijd blijven bestaan en voor ernstige verdeeldheid zorgen onder de aanhangers van orthodox-christelijk onderwijs.
Met name bleek dit bij de behandeling van de wet op het lager onderwijs van 1857. Deze wetswijziging was noodzakelijk geworden, nadat de Grondwet van 1848 (Thorbecke) het bestaansrecht van het bijzonder onderwijs had erkend onder handhaving van de bevoorrechte positie van het openbaar onderwijs.
Bij zijn heroptreden als kamerlid in 1862 had Groen van Prinsterer zijn ideaal van de christelijke (facultatief gesplitste) staatsschool prijsgegeven en zich ontpopt als pleit-bezorger van het bijzonder onderwijs.
Deze verandering van positie, die wat Groen betreft uit de nood geboren was – in zijn hart bleef hij zijn oude ideaal koesteren -, bracht hem in de jaren zestig in steeds scherper conflict met diegenen die hun heil bleven zoeken in herkerstening van de openbare school. Met name de aanhangers van de ethisch-irenische richting in de Hervormde Kerk, zoals Beets, Chantepie de la Saussaye en Van Toorenenbergen, wensten de openbare school niet los te laten ten gunste van de bijzondere school.
In 1869 kwam het in Utrecht tot een breuk tussen Groen en zijn jonge medestander, de Utrechtse predikant Abraham Kuyper enerzijds, en Beets en de ethisch-irenischen anderzijds. De vraag was, welke houding met tegenover het openbaar onderwijs moest aannemen. Groen en Kuyper wensten de openbare school duidelijk als neutrale school aan de kaak te stellen, teneinde ruimte te scheppen voor de uitbouw van het bijzonder christelijk onderwijs. Beets wees er daarentegen op dat de openbare school volgens de wet ook diende op te leiden tot ‘christelijke deugden’ en pleiite voor handhaving en versterking van haar christelijk karakter. Groens voorstel het woord ‘christelijk’ uit de schoolwet te schrappen werd na een fel debat tussen Kuyper en Beets door de vergadering aanvaard. Mede door de inzet van Groens opvolgers Kuyper en De Savornin Lohman zou de gelijkberechtiging van het bijzonder onderwijs het voornaamste doel worden in de fase die de schoolstrijd in de jaren zeventig inging.
Ondanks de grote financiële offers die de voorstanders van het bijzonder onderwijs zich moesten getroosten, was het streven naar overheidssubsidie in hun kring niet onomstreden. Veel afgescheidenen waren aanvankelijk zelfs tegen het aanvaarden van elke geldelijke bijdrage van de overheid. Men redeneerde als volgt: “Een subsidiestelsel doet de knie buigen voor den Baäl der staatssubsidie, maakt de Christelijke school afhankelijk van de betaalmeesters”. Anderen vreesden dat rechtstreekse subsidiëring de staat het recht zou geven zich te zeer met de inhoud van het onderwijs te bemoeien. Vandaar dat men aanvankelijk de voorkeur gaf aan indirecte vormen van overheidssteun. Zo was Kuyper enige tijd voorstander van het ‘subventiestelsel’, waarbij niet de school de geldelijke bijdrage kreeg, maar de ouders, om hun kinderen naar de school van hun keuze te kunnen sturen. Anderen pleitten voor het ‘restitutiestelsel’ , d.w.z. uitkering aan de bijzondere scholen van de bedragen, die zij aan de gemeentebesturen uitspaarden. Voornamelijk om redenen van praktische uitvoerbaarheid werden deze stelsels echter na verloop van tijd weer losgelaten.

1.  Het wezen van de openbare school.

Na 1806 ontwikkelden de openbare scholen zich geleidelijk in neutrale richting en verdween het godsdienstig karakter langzamerhand uit de school. Niet overal, want er bleven tot ver in de 19e eeuw onderwijzers, die, ondanks de wet, Christelijk onderwijs bleven geven en met hun leerlingen de Bijbel gebruikten. Dit was afhankelijk van de plaatselijke situatie. Had een bepaalde plaats een overwegend hervormd karakter, dan droeg de openbare school ter plaatse in de praktijk een hervormd karakter en werd er op school wel gebeden, uit de bijbel verteld en christelijke liederen gezongen. Maar dit werden op den duur uitzonderingen. Er werd door de schoolopzieners en inspecteurs steeds meer gelet op de neutraliteit van het onderwijs en daarin hoorde de Bijbel niet meer thuis. 

In Garderen en Putten veranderden de openbare scholen in 1923 van openbaar in Hervormd, omdat de meeste kinderen op die openbare scholen Hervormd waren. 

In Den Hoorn (Z-H.) werd de Openbare School vóór 1922 voornamelijk bevolkt door Protestantse en Rooms-Katholieke kinderen. Na de financiële gelijkstelling (1920) werd op 1 oktober 1922 de openbare school opgeheven. De katholieke kinderen gingen naar de nieuwe Mariaschool in de Schoolstraat. De protestantse kinderen bleven in het gebouw van de openbare school, dat toen een protestants christelijke school werd. 

In Barneveld werd in 1922 de Openbare School omgevormd tot Hervormde School, omdat de meeste kinderen van de Openbare School overgaan naar de Hervormde School, die in 1922 een Schoolvereniging had opgericht. Ditzelfde verschijnsel treffen we aan in Kethel (bij Schiedam) en De Glindt (bij Barneveld).

Algemeen zien we vooral in zeer kerkelijke streken ( bv. de zgn. 'Biblebelt' ), dat na de stichting van de Hervormde School de Openbare School ter plaatse na verloop van tijd wordt opgeheven vanwege sterke daling van het leerlingenaantal. Door de groei van de dorpen en 'import' van mensen buiten de regio worden later de Openbare Scholen weer (her)opgericht. 

2.  Steeds meer bijzondere scholen.

Bij het C.N.S. sloten zich met name ‘gemengde scholen’ aan, d.w.z. scholen waarvan de stichters c.q. beheerders tot meer dan één kerkelijke richting behoorden. 

Ondanks de kerkelijke verdeeldheid streden hervormden en gereformeerden samen verder voor de bijzondere christelijke school. Opvallend is wel, dat de Gereformeerden de eersten waren, die scholen met de bijbel stichtten; de Hervormden kwamen later of pas na de gelijkstelling in 1920.
Wat de bestuursvorm betreft, waren er aanvankelijk de volgende typen scholen:

1.    Scholen, uitgaande van een kerk
2.    Associatie-scholen, bestuurd door ouders

 Scholen van het type 2 sloten zich veelal aan bij de Vereniging CNS.

3.  Oprichting van de Vereniging voor Christelijk Nationaal School-onderwijs (CNS) in 1860.

Groot was de teleurstelling, toen de wet-Van der Brugghen in 1857 was aangenomen. De vrienden van het Christelijk Onderwijs hadden zo gehoopt, dat het mogelijk zou worden, om tenminste een gedeelte van de openbare school te ‘christianiseren’. Groen van Prinsterer en de zijnen keerden zich nu van de staatsschool af en vroegen zich moedeloos af, wat ze nu moesten. Natuurlijk lag de weg voor het stichten van bijzondere scholen nu open, maar die school vroeg grote offers. Er moest een gebouw komen en een onderwijzerswoning, leermiddelen moesten worden aangeschaft, salarissen moesten worden uitgekeerd. En waar moest al dat geld vandaan komen? Natuurlijk van de voor-standers van Christelijk onderwijs. Maar dit waren gewoonlijk niet de rijken. En als deze ‘gewone luiden’ in hun dorp een bijzondere school stichtten, moesten zij dikwijls veel spot en hoon incasseren.
Op 30 oktober 1860 was de tijd rijp en werd door de vrienden van het Christelijk Onderwijs de “Vereniging voor Chr. Nationaal Schoolonderwijs” opgericht, waarvan Groen van Prinsterer de voorzitter werd.
In deze nieuwe vereniging waren drie stromingen vertegenwoordigd: Confessionelen en Etisch-irenischen in de Hervormde Kerk èn Christelijk Afgescheidenen. Kort gezegd: de Vereniging bestond uit Hervormde en Gereformeerde leden/schoolbesturen. De grote moeilijkheid was een grondslag te vinden, die voor alle drie stromingen acceptabel was. 

Artikel 1 van de statuten luidde:
“De Maatschappij, gegrond op de onveranderlijke waarheden, wier levenskracht zich in het tijdperk der Reformatie, ook hier te lande, voor Kerk en School, met zegenrijke luister geopenbaard heeft, is gewijd aan de bevordering van het Christelijk Nationaal Schoolonderwijs”

Die ’onveranderlijke waarheden’ zouden later problemen geven: sommige Afgescheidenen vonden die zinsnede niet omlijnd genoeg, terwijl de etisch-irenischen van dat ‘onverander-lijke’ niets wilden weten.
Veel heeft de Vereniging voor de bouw van bijzondere scholen gedaan, tal van subsidies heeft ze voor het onderhoud toegekend. 

4. Oprichting van de Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs. (1868)

De kerkelijke verdeeldheid ging in de Vereniging voor C.N.S. uiteindelijk een zo’n grote rol spelen, dat er een aparte Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs werd opgericht. In 1834 was er door de Afscheiding een kloof ontstaan tussen Afgescheidenen en Hervormden. Ook op het terrein van de scholen was het duidelijk merkbaar, dat er verschillen bestonden. Het was niet te ontkennen, dat de Vereniging voor Chr. Nat. Schoolonderwijs geheel door Hervormden werd bestuurd en geleid en door velen ook werd gezien als een ‘Hervormde’ vereniging ten dienste van de hervormde scholen. Vele Afgescheidenen hadden vanaf de oprichting bezwaar tegen de te rekbare grondslag van de Vereniging CNS, waarin gesproken werd over een maatschappij met “onveranderlijke waarheden”. Maar deze waren in het reglement niet nader geformuleerd, zodat de Vereniging zelfs Remonstrantse en Doops-gezinde scholen kon steunen. In 1868 werd in Leeuwarden de “Vereniging voor Gerefor-meerd Schoolonderwijs” opgericht. Deze vereniging had als doel: het verlenen van hulp aan Gereformeerde scholen. Echter, haar grondslag was éénduidiger omschreven.


5.  Oprichting van de Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs (1890)

Hoewel de oprichting van de V.C.O. chronologisch niet op deze plaats in het overzicht past,  behandelen wij deze Hervormde Vereniging toch op deze plek i.v.m. de samenhang t.o.v. de vorige hoofdstukken.

In 1890 werd nog een andere vereniging opgericht, die haar ontstaan niet te danken had aan samenwerking, maar aan verdeeldheid. Inmiddels had in 1886 de Doleantie plaatsgevonden. De Doleantie had de gemoederen niet alleen op kerkelijk gebied in beweging gebracht, maar ook op het terrein van de school ontstond er deining. Op de jaarvergadering van de Vereniging voor C.N.S. te Amersfoort op 2 juni 1887, beklaagde DR. Vos en zijn medestanders zich erover, dat scholen aangesloten bij C.N.S. ’s zondags gebruikt werden als plaatsen van samenkomst der “dolerenden”. Dit achtten zij ontoelaatbaar, omdat zodoende de school betrokken werd in de kerkelijke strijd. Daarom diende Dr. S.D. van Veen de volgende motie in: “Lokalen van Christelijke scholen, door de Vereniging CNS gesubsidi-eerd, mogen op generlei wijze en door geen der partijen in de kerkelijke strijd gebruikt worden, behoudens verkregen rechten, die de ene of andere kerkelijke gemeente heeft op het gebruik en de bestemming der gebouwen.”

De meerderheid der vergadering was het met deze motie niet eens en verwierp haar. Dit was het sein voor tal van Hervormden, om hun lidmaatschap van C.N.S. op te zeggen. Enkele jaren later, in 1890, werd op initiatief van Ds. H. Malcomesius de “Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs” (VCO) opgericht. Zij droeg een uitgesproken Hervormd cachet en was opgericht om de Hervormde Kerk te dienen door steun te verlenen aan scholen en onderwijzers.

6. Tegenwerking van de openbare scholen en de gemeenten.

Na 1857 werd het mogelijk om Scholen met de Bijbel op te richten op eigen kosten. Dit gebeurde dan ook op grote schaal in het land en vooral de oprichting van de 'Vereniging voor Christelijk Nationaal Onderwijs' in 1860 werd de drang naar het stichten van christelijke scholen nog sterker. Deze periode moet dan ook voor de vrienden van het openbaar onderwijs een moeilijke tijd geweest zijn, vol ergernis en spijt. Hoe meer het aantal christelijke scholen toenam, des te meer groeide hun haat. Zij kwamen in het geweer voor hun bedreigde openbare school. Op verschillende manieren hebben zij met steun van de gemeenten de christelijke scholen tegengewerkt:

  • Het kosteloos onderwijs geven aan de kinderen van de openbare school.           Ouders van kinderen op de openbare school moesten volgens de wet ook schoolgeld betalen, al was dat uiteraard lang niet zo veel als ouders op de christelijke school moesten betalen. In veel plaatsen, waar een christelijke school werd gesticht, schafte de openbare school ter plaatse het schoolgeld af en werd er kosteloos onderwijs gegeven. Dit was een prachtig lokaas voor de arme ouders, die aan de ene kant wel christelijk onderwijs voor hun kinderen wilden, maar aan de andere kant niet bestand waren tegen de verleiding van gratis onderwijs.

  • Verplichte vaccinatie.                                                                                                              Een ander wapen, dat gemeente- en provinciale besturen hanteerden tegen de christe-lijke school, was de verplichte vaccinatie. Een voorbeeld ter illustratie: In Harlingen hadden de Afgescheidenen in 1857 een Christelijke school gesticht. Het had wel heel wat voeten in de aarde gehad en er was wel veel tegenwerking geweest, maar eindelijk was het dan toch gelukt. Reeds dadelijk bleek, dat deze school in een behoefte voorzag. Ieder jaar weer nam het aantal leerlingen toe, zpdat het bestuur al spoedig tot uitbreiding van de school moest overgaan. Er was echter voor verschillende ouders een groot bezwaar. De Provinciale Staten hadden namelijk bij reglement vastgesteld, dat geen ongevaccineerde kinderen in Friesland de school mochten bezoeken. Nu waren er heel wat ouders, die gemoedsbezwaren hadden tegen de inenting. Met de ene hand hadden de ouders de onderwijsvrijheid ontvangen, maar met de andere hand werd hun die vrijheid weer ontnomen. Want met gemoedsbezwaren rekenden de autoriteiten toen niet. Men had zich maar te onderwerpen. De ouders stuurden een verzoekschrift aan de Koning; misschien dat deze zou horen en vrijstelling verlenen. Maar tevergeefs. Wilden zij onderwijs voor hun kinderen, dan restte hun niets anders dan over hun gemoedsbezwaren heen te stappen. Deden zij dat niet, dan moesten zij hun kroost thuis houden, hetgeen betekende: verzwakking van het Christelijk onderwijs.

  • Het stichten van een openbare school zonder leerlingen.                                              Artikel 194 van de grondwet luidde: "Er wordt overal in het Rijk van Overheidswege voldoende lager onderwijs gegeven." Groen van Prinsterer noemde deze zinsnede eens 'de ellendige zinsnede'. Hij viel over het woord "van overheidswege". Want de conse-quentie hiervan was, dat, in welk gehucht ook, nodig of niet nodig, door de overheid een openbare school moest worden gesticht. En toch hebben meerdere gemeenten dit artikel letterlijk genomen en in hun gemeente een openbare school gesticht, waarvoor geen leerlingen beschikbaar waren, omdat alle kinderen uit het betreffende dorp op de christelijke school zaten. Een voorbeeld: Het dorpje Wons, gelegen in de buurt van Makkum, bezat, zoals in vele plaatsen in Friesland het geval was, een openbare school, die met de onderwijzerswoning het eigendom was van de Hervormde Kerk. Deze situatie stamde nog uit de tijd vóór 1800, toen school en kerk nog één waren. Nooit had dit enige moeilijkheid opgeleverd en de hoofdonderwijzer had, zoals velen van zijn collega's, de kerkelijke bediening waargenomen en daarvoor uit de kerkelijke kas een toelage gehad (koster, schoonmaker, voorzanger, klokkenliider etc.) Maar de onderwijzer werd oud en nam op 1 mei 1867 zijn ontslag, dat hem op eervolle wijze werd verleend. De eigenaars van de school hadden genoeg van het openbaar onderwijs, dat neutraal moest zijn, omdat de inwoners van Wons voortaan christelijk onderwijs wensten voor hun kinderen. Volgens kerkenraad en ouders was het gemakkelijk om het bestaande gebouw te gebruiken en de voormalige openbare school in te richten tot een Christelijke. Weldra ging er een aanvraag van de kerkenraad naar de burgemeester om schorsing of opheffing van de openbare school. Want er waren geen ouders, die nog openbaar onderwijs voor hun kinderen begeerden. Ja, toch was er een weduwe die haar toestemming niet had verleend; zij vormde op het dorp de enige uitzondering. Maar dat was niet zo'n groot bezwaar, want zij woonde nog dichter bij Makkum dan bij Wons, dus kon haar kind in Makkum naar school, waar haar twee oudste kinderen ook naar school gingen. De gemeente kon door dit verzoek de kosten van het stichten van een school besparen. De gemeenteraad wilde de openbare school niet opheffen. Dat nooit. Ook Gedeputeerde Staten wilden van opheffing noch schorsing weten. Overal moest van overheidswege lager onderwijs worden gegeven, dus ook in Wons, al waren alle inwoners er tegen.  B & W kregen een brief van Gedeputeerde Staten met de opdracht maatregelen te nemen om in het openbaar onderwijs te Wons te voorzien. Er moest een nieuwe openbare school met onderwijzerswoning worden gebouwd, een hoofd worden benoemd, nieuwe leermiddelen worden aangeschaft.  Volgens de inwoners: weggegooid geld voor een school, die niemand wilde. De inwoners wendden zich tot de koning om deze geld-verspilling te voorkomen. De minister keurde het besluit , om een nieuwe school te bouwen, goed. De school werd dus gebouwd. Het moet voor de nieuw-benoemde onderwijzer geen prettige gewaarwording geweest zijn, een lege school aan te treffen. Na een half jaar stond de onderwijzer nog altijd voor lege banken. In april 1870 zat er een viertal leerlingen op school, die uit de omliggende dorpen kwamen. Omdat deze kinderen nogal ver van Wons woonden, werden ze bij de hoofdonderwijzer in de kost gedaan.                                                                   

7.  Het Volkspetitionnement van 1878

Was de schoolwet van 1857 al een teleurstelling geweest voor vele orthodoxe protestanten, omdat zij de secularisering van de openbare school in de hand werkte zonder de oprichting van bijzondere (christelijke) scholen financieel mogelijk te maken, men gaf de moed niet op. Men bleef onder leiding van Groen van Prinsterer actie voeren om de wet in een voor het bijzonder onderwijs gunstige zin te wijzigen. In 1872 werd het Anti-Schoolwet Verbond opgericht, dat de acties tegen de schoolwet van 1857 ging coördineren.
Na Groens dood in 1876 namen Kuyper en De Savornin Lohman de leiding van de schoolstrijd van hem over. De Liberalen, de grote tegenstanders van de bijzondere school, gaven echter niet toe. De leider van de Liberalen in de Tweede Kamer, mr. J. Kappeyne van de Coppello, hield in 1874 een rede waarin hij de verantwoordelijkheid van de staat voor de kwaliteit van het onderwijs sterk beklemtoonde.  Het onderwijs gegeven door de openbare school zou de idealen van het 'denkend deel der natie' moeten weerspiegelen. In die rede liet Kappeyne zich over de voorstanders van de bijzondere school uit in de volgende, voor een liberaal wel krasse, bewoordingen: "Zegt men 'indien gij dat wilt, onderdrukt gij de minderheid', zou ik bijna zeggen: 'Welnu, dan moet die minderheid maar onderdrukt worden, want dan is zij de vlieg, die de gansche zalf bederft'.  Deze zelfde Kappeyne van de Coppello werd in 1877 minister-president en minister van binnenlandse zaken. Het jaar daarop (1878) diende hij een ontwerp voor een nieuwe schoolwet in, waarin hogere eisen werden gesteld, ook aan het bijzonder onderwijs. Dit betekende dat de concurrentiepositie van het christelijk onderwijs t.o.v. het openbaar onderwijs aanmerkelijk slechter werd, omdat het bijzonder onderwijs de financiële lasten van de voorgestelde verbeteringen zelf moest dragen. Er was in die wet geen sprake van dat aan het bijzonder onderwijs ook maar enige subsidie in het vooruitzicht werd gesteld. Het voorstel van Kappeyne werd door het parlement aanvaard, ondanks heftig verzet van de antirevolutionairen en rooms-katholieken. Deze laatsten schaarden zich van nu af aan aan de zijde van Kuyper en de zijnen in de schoolstrijd. Hoewel antirevolutionairen en rooms-katholieken samen geen meerderheid in de Kamer hadden, ontstond er buiten het parlement een ware volksbeweging onder protestanten en katholieken tegen de schoolwet-Kappeyne. Samen met De Savornin Lohman en B.J.L. baron de Geer van Jutphaas nam Kuyper het initiatief tot het indienen van een Volkspetitionnement, waarin koning Willem III verzocht werd zijn handtekening onder de wet-Kappeyne niet te plaatsen. Verder bevatte het petitionnement een pleidooi voor het recht van bijzondere of 'vrije' scholen. De actie van Kuyper en de zijnen sloeg geweldig aan, mede door de steun van CNS en het Anti-Schoolwet Verbond, die bij de organisatie van het petitionnement een belangrijke rol speelden. Op 18 juli 1878 was de wet door de Tweede Kamer aangenomen. In de week van 20 tot 26 juli werden kerkenraden en personen van boven de twintig jaar benaderd om hun handtekening onder het Volkspetitionnement te zetten. Het werden er 305.102, terwijl 306 kerkenraden der Hervormde Kerk en 108 der Christelijke Gereformeerde Kerken hun adhesie betuigden. Ruim 100.000 rooms-katholieken tekenden een soortgelijke petitie.


Op zaterdag 3 augustus 1878 's middags om twee uur werd een deputatie van 25 heren, onder leiding van jhr. P.J. Elout van Soeterwoude, op Het Loo in Apeldoorn ontvangen door 8.  koning Willem III. Men bood hem de petitie aan, die eindigde met de woorden: "Plaats, Sire, onder zulk een Wetsvoordracht Uwe Koninklijke handteekening nooit!".  Tot grote teleurstelling van de ondertekenaars tekende de koning de wet op 17 augustus echter toch. Toch was de beweging van het Volkspetitionnement het hoogtepunt van de Schoolstrijd. Het aantal aanhangers van het christelijk onderwijs bleek veel groter dan men had kunnen vermoeden. Niet alleen vele orthodox-hervormden, maar ook vele ethisch-hervormden plaatsten hun handtekening. Men kan in het algemeen constateren dat in en door deze beweging de steun aan het christelijke onderwijs in de Hervormde Kerk toenam, niet bij de synode, wel op het grondvlak bij predikanten en lidmaten. Het Volkspetitionnement zou nog in een ander opzicht grote gevolgen hebben. ( zie volgende hoofdstuk)==> 

8.  Oprichting van de Unie "Een school met den Bijbel" (1879)

Door de actie voor het Volkspetitionnement was er een prachtige organisatie tot stand gekomen. Ruim 650 lokale comité's waren er opgericht, verspreid over het gehele land. De voormannen van het Christelijk Onderwijs vonden dat deze comité's niet uit elkaar mochten gaan. Op 23 januari 1879 (herdenkingsdag van 300 jaar Unie van Utrecht) kwam een groot aantal afgevaardigden van de lokale comité's die het Volkspetitionnement hadden georganiseerd bijeen in Utrecht. Zij richtten daar de Unie "Een School met den Bijbel" op. Doel van de organisatie was om als een grote, losse bond de krachten in de schoolstrijd verder te bundelen. Jaarlijks zou op 17 augustus, de Unie-collecte worden gehouden ter financiële ondersteuning, landelijk en plaatselijk, van het christelijk onderwijs. Een eigenaardigheid van de Unie was het feit,dat zij altijd arm was, maar toch ieder jaar uitdeelde. Er werd nl. besloten dat de Uniecollecte voor het overgrote deel aan de plaatselijke school ten goede zou komen. Alleen een gedeelte werd in de kas van de Unie gestort, die dit echter dadelijk verdeelde onder de Verenigingen voor Chr. Nationaal School-onderwijs en voor Gereformeerd Onderwijs. Voorzitter van de Unie "Een school met de Bijbel" werd Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman.


9.   Oprichting van de Antirevolutionaire Partij (1879)

Kuypers doel was het volk achter de kiezers te organiseren en te mobiliseren. Daartoe vormde hij de losse antirevolutionaire groepering, die sinds lang vertegenwoordigers had in de Eerste en Tweede Kamer, òm tot een officiële, hecht gestructureerde partij. Op 3 april 1879 werd in Utrecht de Antirevolutionaire Partij opgericht, met medewerking van dezelfde personen die enkele maanden tevoren ook de Unie 'Een School met den Bijbel' hadden gesticht. De Antirevolutionaire Partij zocht in het parlement toenadering tot de rooms-katholieke afgevaardigden, geleid door Schaepman, die zich eveneens inzette voor de bijzondere school. De antirevolutionairen en de rooms-katholieken werden bondgenoten in de schoolstrijd, en daardoor ook op andere politieke terreinen. De confessionelen weigerden mee te werken aan de uitbreiding van het kiesrecht, zolang het grondwetsartikel betreffende het onderwijs ongewijzigd bleef. Op den duur had deze tactiek succes.

10.  De Doleantie (1886)

De Doleantie van 1886, die leidde tot een scheuring in de Nederlandse Hervormde Kerk, bracht ook in het christelijk onderwijs grote beroering teweeg , in de eerste plaats op plaatselijk niveau. Zo voegde te Nederhorst den Berg het hoofd der school zich bij de dolerenden, waarna hij door het hervormd bestuur werd ontslagen. Te Anjum was de predikant met het grootste deel der gemeente dolerend geworden. Het hoofd der school bleef echter lid van de Hervormde Kerk en werd daarom ontslagen. Ook aan Maasland (Z-H) is de Doleantie niet voorbijgegaan . Het tijdperk 1888 – 1891 vormt een donkere bladzijde in de geschiedenis van Maasland. Onderlinge twist tussen gemeenteleden en scheiding der geesten. De Hervormde Kerk in Maasland telt in die jaren zo’n 2000 leden. Ruim 700 leden verlaten de kerk. Ze worden ‘dolerend’. Het grootste deel van de toen zittende bestuursleden en ouders van de Chr. School is de doleantie toegedaan. Omdat er geen enkele organisatorische binding met de Ned. Hervormde Kerk bestaat, gaat de Christelijke School met de dolerenden mee en wordt dan in 1888 de Gereformeerde School. De hervormde ouders stuurden daarop hun kinderen terug naar de openbare school, totdat zij zelf in 1894 een nieuwe school konden openen.
Ook de positie van de Vereniging C.N.S. kwam in discussie. Het ging over de vraag of de Ver. C.N.S. krachtens haar statuten verplicht was de Hervormde Kerk aan haar roeping ten aanzien van het christelijk onderwijs te herinneren en haar zodanig dus als ware kerk te blijven erkennen. Hoewel CNS een gemengde hervormd/gereformeerde vereniging bleef, hebben verschillende hervormden haar op den duur toch verlaten. Zij richtten in 1890 de Vereeniging voor Christelijk Volksonderwijs (CVO) op.

11.  Op weg naar financiële gelijkheid.

Geleidelijk aan kwam er beweging in het standpunt der liberalen. Zij realiseerden zich dat de openbare school door de onderwijspolitiek van de regering inmiddels van karakter veranderd was, dat menigeen terecht niet meer van haar gediend was. Ook merkten zij dat de schoolstrijd hun politieke positie eerder verzwakte dan versterkte en mede daardoor werden zij ontvankelijk voor de argumenten van hun tegenstanders.
De doorbraak kwam bij de stemming over de grondwetsherziening in 1887, toen een aantal liberalen verklaarde dat het onderwijsartikel in de Grondwet financiële ondersteuning door de overheid van het bijzonder onderwijs niet in de weg stond. Van nu af was de weg vrij voor subsidiëring van het bijzonder onderwijs. De kiesrechtuitbreiding die bij dezelfde grondwetsherziening tot stand kwam, stelde de confessionele partijen in staat van deze doorbraak op onderwijsgebied gebruik te maken. Bij de verkiezingen van 1888, waaraan door een groter deel van hun aanhang kon worden deelgenomen, behaalden antirevolutionairen en rooms-katholieken 54 van de 100 zetels in de Tweede Kamer, waarna het eerste christelijke coalitiekabinet gevormd werd onder leiding van mr. A.E. baron Mackay. Deze diende een nieuw schoolontwerp in dat voorzag in gedeeltelijke subsidiëring van het bijzonder onderwijs door de staat. Het beginsel van de wet was gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs t.o.v. de schatkist, behalve ten aanzien van het stichten en onderhouden der gebouwen. In de praktijk betekende dit dat het bijzonder onderwijs een subsidie kreeg, waaruit ongeveer een derde van de kosten bestreden kon worden. Dit gematigde wetsontwerp werd in 1889 aanvaard, ook door de in meerderheid liberale Eerste Kamer. In de kring van het bijzonder onderwijs was men dankbaar over het bereikte resultaat, maar niet voldaan, omdat de nieuwe wet nog lang geen volledige gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs had gebracht. Toch stuurde de Vereeniging van Christelijke Onderwijzers en Onderwijzeressen een dankbetuiging naar het ministerie. Hun salarissen konden dankzij de wet in elk geval verbeterd worden.

12.  Het eerste decennium van de twintigste eeuw.

In het begin van de 20e eeuw verscheen met de opkomst van de sociaal-democratie een nieuwe partij op het politieke toneel, die eveneens haar standpunt inzake de schoolkwestie diende te bepalen. Van groot belang was in dit vberband de motie die in 1902 op het congres van de SDAP te Groningen werd aangenomen. In de motie wordt van de regering geëist, dat zij de kosten draagt van het onderwijs, zowel openbaar als bijzonder. Omdat een groot deel der arbeidende klasse in Nederland voor zijn kinderen godsdienstig onderwijs eist, vindt de SDAP het ongewenst het daarin tegen te werken, omdat de sociaal-democratie de eenheid der arbeidende klasse tegen gelovige en ongelovige kapitalisten op maatschappelijk gebied niet terwille van theologische geschilpunten wenst te verstoren.
Deze 'Groninger schoolmotie' hield dus in dat de SDAP onder bepaalde voorwaarden bereid was de financiële gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs te steunen. De SDAP gunde de christelijke arbeiders hun eigen bijzondere school, omdat zij met dit standpunt de christelijke arbeiders voor het socialisme hoopte te winnen. Troelstra bracht het als volgt onder woorden: "Om den klassenstrijd te redden, laten wij den geloofsstrijd rusten" .
In 1905 presenteerde het kabinet Kuyper (1901-1905) een nieuwe onderwijswet, die o.m. een verbetering van de rechtspositie van de onderwijsgevenden bij het bijzonder onderwijs bracht. Ondanks het verzet van liberalen en socialisten (!) werd de wet door de rechtse meerderheid in het parlement aangenomen.
Het Kabinet-Heemskerk (1908-1913), dat ook weer steunde op een rechtse meerderheid, verruimde niet alleen de subsidie voor het bijzonder lager onderwijs, maar brascht in 1909 ook een wijziging en aanvulling van de wet op het middelbaar onderwijs tot stand, waarbij de mogelijkheid van de verlening van subsidie aan bijzondere middelbare scholen werd aanvaard.
Omdat de rechtse coalitie de verkiezingen van 1913 verloor, moest het kabinet-Heemskerk plaats maken voor een extraparlementair kabinet o.l.v. de liberaal mr. P.W.A. Cort van der Linden. Cort van der Linden wenste als een 'eerlijke makelaar' de twee kwesties te regelen die links en rechts in ons land al zo lang verdeeld hielden, nl. de schoolkwestie en de kiesrechtkwestie. Door rechts wat te laten toegeven op het gebied van het kiesrecht en door links tot inschikkelijkheid te bewegen ten aanzien van de schoolkwestie, hoopte hij voor beide kwesties een voor allen aanvaardbare oplossing te vinden. In deze opzet slaagde hij, mede omdat de geesten rijp waren voor een compromis en beide partijen elkaar al dicht genaderd waren door de feitelijke ontwikkeling van het kiesrecht en het onderwijs.

13.  Gelijke bekostiging openbaar en bijzonder onderwijs

In 1913 werd een staatscommissie in het leven geroepen, waarin van alle zeven partijen de fractievoorzitters en de onderwijsspecialist zitting namen. In deze zogeheten 'bevredigingscommissie', waarin Lohman (vice voorzitter) en de vrijzinnig-democraat dr. D.Bos (voorzitter) de toon aangaven, vonden links en rechts elkaar in 1916 in een compromis, dat uitging van de gelijke positie van beide schooltypen en geen van beide tot 'regel' of 'aanvulling' maakte. De voorstellen van de commissie werden bij de grondwets-herziening van 1917 door het parlement aanvaard. Openbaar en bijzonder onderwijs werden gelijkberechtigd, naar dezelfde maatstaf bekostigd. De nieuwe onderwijsbepaling in de Grondwet werd in 1920 uitgewerkt in de wet op het lager onderwijs door dr.J.Th. de Visser, die tevens als eerste bewindsman het nieuw ingestelde departement van onderwijs beheerde. Op 29 september 1920 werd door de organisaties van het christelijk onderwijs een dankdienst gehouden in de Domkerk te Utrecht.

14.  Nieuwe rol van de gemeenten

De invoering van de nieuwe wet op het lager onderwijs van 1920 bracht voor de gemeente-besturen veel veranderingen tot stand. Zij moesten nu beslissen over de bouw en verbouw van scholen en ook voor de financiering zorgdragen. Dat die nieuwe rol vaak moeilijk was voor de gemeenten, ondervond het schoolbestuur in Hendrik Ido Ambacht. Voor de uitbreiding en renovatie van de School met de Bijbel werd geen medewerking verleend. B & W liggen volledig dwars, waardoor het bestuur in beroep ging bij Gedeputeerde Staten en bij de minister met het gewenste resultaat, dat het schoolcomplex verbeterd en gerenoveerd kon worden.