Onderwijs en opvoeding in de 2e helft 19e eeuw.

In de tweede helft van de 19 e eeuw komt de Grondwet tot stand, waarin de vrijheid van onderwijs wordt verkondigd, maar alleen de openbare school wordt bekostigd. Ook wordt de Lager-onderwijswet door de opéénvolgende kabinetten voortdurend aangepast en laait de Schoolstrijd op, die uiteindelijk zal leiden tot financiële gelijkstelling in 1920.

Voorspel tot de totstandkoming van de nieuwe grondwet.

Koning Willem II besteeg in 1840 de troon. De vorst stelde een commissie in om de talrijke grieven tegen de wetgeving op het lager onderwijs te onderzoeken. Dit onderzoek had tot resultaat, dat bij Koninklijk Besluit van 2 januari 1842 aan enige grieven tegemoetgekomen werd. Er kwam een beroepsrecht op Gedeputeerde Staten tegen een weigering van een gevraagde vergunning om een bijzondere school op te richten. Verder werd voorgeschreven, dat in de provinciale commissies van onderwijs en onder het onderwijzend personeel van de openbare scholen, de verschillende godsdienstige gezindten zoveel mogelijk in de juiste verhouding moesten zijn vertegenwoordigd. Al deze maatregelen hadden tot doel om het openbaar onderwijs voor iedereen geschikt te maken waardoor de behoefte aan bijzondere scholen zou verminderen. Maar dit Koninklijk Besluit heeft niemand volkomen bevredigd.

Er was trouwens een groot verschil tussen openbare scholen. Een openbare school op de Veluwe bv. was in feite een christelijke school, terwijl een openbare school elders ook echt een openbare school was.  Op de site van de Prins Bernhardschool te Garderen lezen we: "Onze school is een Chr. school vanaf april 1923. We heetten toen de Nederlands Hervormde School. Vóór die tijd waren we een openbare school, maar dan wèl één waar uit de Bijbel werd gelezen, waar gebeden werd en waar ook christelijke liederen werden gezongen..."

Het is in deze tijd dat in de bevolking allerlei groeperingen ontstaan ter bevordering van het onderwijs. Zo sloten de bestaande onderwijzersgezelschappen zich aaneen in het Nederlands Onderwijzers Genootschap (NOG) dat op 6 februari 1842 werd opgericht. In katholieke kring ontstonden o.a. door toedoen van monseigneur Joannes Zwijsen tal van congregaties van broeders en zusters die zich ook aan het onderwijs gingen wijden. En in 1845 verenigden Groen van Prinsterer en geestverwanten zich in de Christelijke vrienden.

De grondwet van 1848 van Thorbecke               

De Grondwet van 1848, grotendeels het werk van mr.J.R.Thorbecke, bracht de vrijheid van het geven van onderwijs in artikel 194. Het luidde:

“Het openbaar onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der Regering. De inrigting van het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, door de wet geregeld. Er wordt overal in het Rijk van overheidswege voldoend openbaar lager onderwijs gegeven. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezigt der overheid, en bovendien, voor zoover het middelbaar en lager onderwijs betreft, behoudens het onderwijs naar de bekwaamheid en zedelijk-heid des onderwijzers; het een en ander door de wet te regelen…”

Dit betekende: Iederéén is vrij om scholen op te richten als men aan de voorwaarden voldeed die de wet voorschreef. Dat laatste had betrekking op de inhoud (deugdelijkheid) van het onderwijs en de bekwaamheid en zedelijkheid van de onderwijzers. De staat is alleen financieel verantwoordelijk voor het openbaar onderwijs. Bijzondere scholen mochten uiteraard worden opgericht, maar het bestuur en de ouders waren verantwoordelijk voor de financiën. De inspectie controleerde dus ook het bijzonder onderwijs.

De uitwerking van de grondwettelijke onderwijsvrijheid is een langdurige en ook aangrijpende aangelegenheid geweest, want zij bracht rekenschap van alle levensovertuigingen en van alle tegenstellingen daartussen.

Minister Van Reenen (kabinet Van Hall-Donker Curtius) diende in 1855 een wetsvoorstel in, dat bij de doelstelling van het openbaar onderwijs nog slechts sprak van de ‘bevordering van godsdienst en zedelijkheid’, en iedere aanduiding van een specifiek christelijk kenmerk achterwege liet. In de Memorie van Toelichting bij deze wet werd vermeld, dat 94000 kinderen geen enkele school bezochten.

Tegen bovengenoemd wetsontwerp kwam buiten de Kamer veel verzet. Het leidde tot een adresbeweging, vooral in Friesland. Ook een aantal hervormde predikanten, met ds. O.G. Heldring als eerste ondertekenaar, maakte in een adres bezwaar tegen het voorgestelde ontwerp. “Wij mogen, moeten en wenschen op onze volksschool onbelemmerd gebruik des Bijbels, niet als schoolboek, maar als het Boek, dat aan alle onderwijs klem en wijding geeft”

Een ‘gemengde’ school voor alle kinderen van het Nederlandse volk zag men als een onmogelijkheid. Bij zoveel bezwaren wilde de Koning de wet niet bekrachtigen, ook al zou zij worden aangenomen. Hierdoor ontstond zo’n grote onenigheid in het kabinet Van Hall, dat het besloot zijn ontslag aan te bieden.

De Lager-onderwijswet van Van Brugghen (1857)                    

Onder het Kabinet Van der Brugghen (1856-1858) ontwierp mr. A.G.A. ridder van Rappard een wet tot regeling van het gewoon en het meer uitgebreid lager onderwijs. We noemen deze wet: de wet Van Brugghen van 1857. De wet werd in de Kamer aangenomen met een aanzienlijke meerderheid van 47 tegen 13 stemmen. De tegenstemmers waren alle anti-revolutionaire en zes van de twaalf rooms-katholieke leden. Bij de debatten heeft zich de fundamentele tegenstelling voorgedaan tussen Groen van Prinsterer en Thorbecke over betekenis en werking van het christendom in de natie.

De Gemeenten kregen de verplichting de kosten van het openbaar onderwijs te dragen. Het schoolgeld voor openbare scholen werd facultatief gesteld, wat weer ongunstig was voor de bijzondere scholen, die slechts met het heffen van schoolgeld in stand waren te houden. Wel bepaalde de wet , dat gemeenten en provincies, onder nader te stellen voorwaarden, subsidie konden geven aan bijzondere scholen, maar deze moesten dan toegankelijk zijn voor alle kinderen, zonder onderscheid van godsdienstige gezindte. Groen van Prinsterer, de volhardende bestrijder van de gemengde openbare scholen, nam na aanvaarding van deze wet onmiddellijk zijn ontslag als kamerlid: er was, meende hij, verraad gepleegd aan de christelijke beginselen.

In de Lager-onderwijswet van 1857 kwamen de onderwijzersrangen te vervallen. Wel kende de wet nu hoofdonderwijzers, hulponderwijzers en kwekelingen met een minimumsalaris van F 25,- per jaar.

De wettelijke regeling van het bewaarschoolonderwijs is buiten de wet van 1857 gebleven.

Het stichten van scholen met de Bijbel

Na 1857 werden steeds meer bijzondere scholen opgericht, omdat deze na de nieuwe Grondwet van 1848 en het tot stand komen van de schoolwet-Van der Brugghen zonder overheidstoestemming konden worden gesticht. Van overheidssubsidie was toen echter nog geen sprake. Daarnaast ontstonden er ook enkele landelijke organisaties ten behoeve van het christelijk onderwijs. In 1854 werd de Vereeniging van Christelijke Onderwijzers opgericht. In 1860 werd de Vereeniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs (CNS) opgericht, waar Groen van Prinsterer jarenlang ere-voorzitter van is geweest.

Het doel van deze vereniging was geld bij elkaar te brengen om bijzondere scholen te kunnen oprichten. Bij deze organisatie sloten zich met name 'gemengde scholen' aan, d.w.z. scholen waarvan de stichters c.q. beheerders tot meer dan één kerkelijke richting behoorden.

De Vereeniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs, opgericht in 1868, omvatte voornamelijk gereformeerde scholen. In 1890 richtten de Hervormden de Vereeniging voor Christelijk Volksonderwijs (CVO) op, die een verzamelpunt werd voor specifiek hervormde scholen.

Ondanks deze kerkelijke verdeeldheid streden hervormden en gereformeerden samen verder voor de bijzondere christelijke school. Opvallend is wel, dat de Gereformeerden de eersten waren, die scholen met de bijbel stichtten; de Hervormden kwamen later of pas na de gelijkstelling in 1920.  Wat de bestuursvorm betreft, waren er aanvankelijk de volgende typen scholen:

 1.  scholen, uitgaande van een kerk, de zg. kerkenraadsscholen.

 2.  scholen, bestuurd door ouders, de zgn. associatie-scholen.


Geen grote aantallen leerlingen in het begin..

Bij de stichtingvan de eerste Scholen met de Bijbel was er aanvankelijk ook aarzeling bij gelovige ouders om hun kinderen naar de Christelijke School te sturen. Dat was ook de reden, dat de aantallen leerlingen bij de stichting van de scholen vaak niet groot waren. Voor deze aarzeling waren de volgende redenen:

1. Er was nog geen leerplicht, terwijl lang niet iedereen het nut van onderwijs erkende. Bijna 1/3 van het aantal kinderen in de schoolgaande leeftijd volgde omstreeks 1860 geen onderwijs.

2. Veel kinderen waren thuis hard nodig om mee te werken op de boerderij.

3. Velen konden het schoolgeld niet opbrengen en lieten hun kinderen daarom naar de gratis openbare school gaan.

4. Het was voor  velen eenvoudigweg onmogelijk om naast de zorg voor de kerk ook nog eens een zware last voor de school op zich te nemen.

Het wezen van de openbare school in de 18e en 19e eeuw. 

Zoals we reeds zagen, ontwikkelde de openbare school zich geleidelijk in neutrale richting. Op veel openbare scholen verdween de bijbel uit het lesprogramma. Hoe deze ontwikkeling is gegaan, beschrijft dr. D. Langedijk in zijn boek "Geschiedenis van het Prot. Chr. Onderwijs" als volgt:

" Tijdens de Republiek was het karakter van de openbare school der 17e eeuw over het algemeen positief Gereformeerd. Dit veranderde in de 18e eeuw, toen het rationalistisch Deïsme zijn invloed deed gelden op de kerk en haar leiders, maar ook op de schoolmeesters van die tijd. Dit Deïsme, ook wel Supra-naturalisme genoemd, zette zich voort in de 19e eeuw en gaf aan de openbare school een algemeen-Christelijk cachet.  
Deze geestesrichting was alleszins vroom, eerde de Bijbel en gaf hoog op van de voordelen van het Christendom. Maar men wilde begrijpen vóór men iets gelovig aanvaardde. De Drieëenheid verwierp men, de rechtvaardigmaking beschouwde men als uitwendige toerekening van de gerechtigheid van Christus. Het was een populaire godsdienstleer, die God veranderde in het Opperwezen, Christus in een leraar, de mens in een verstandswezen, zonde in zwakheid, bekering in verbetering, heiligmaking in deugd. Voor de aanhangers van deze richting was het een belangrijke vraag welke plaats de Bijbel in de openbare school moest innemen. En in verband met de wet van 1806 zouden we haar ook zo kunnen stellen: Mag de Bijbel daar wel een plaats innemen?  De secretaris van staat meende van wel, waarop de schoolopziener Ds H. Visser  een circulaire bij de onderwijzers in zijn district rond zond, waarin hij aandrong op het geven van Bijbelse geschiedenis. Nieuwold dacht er evenzo over als zijn collega. Maar hij wilde niet de Bijbel op de school, doch leesboekjes met Bijbelse verhalen. Een derde predikant-schoolopziener, J. Teissèdre l'Ange, was van oordeel, dat 'het Christelijk gebed en gezang, de Bijbelse geschiedenis, het leven van Jezus, het lezen van vele gedeelten van de Bijbel ' nog altijd behoorde tot het gewone onderwijs op de openbare scholen. De invloedrijke prof.dr. Th. van Swinderen, schoolopziener te Groningen, zond in 1815 een circulaire aan de onderwijzers, waarinhij de wenselijkheid uitsprak, dat zij iedere morgen enige verzen uit de Bijbel zouden lezen, terwijl Vrijdagsmiddags 'door de meestegevorderde en braafste kinderen' één of twee geschikte hoofdstukken konden worden voorgelezen. Om hierin leiding te geven, zond hij aan de onderwijzersgezelschappen een lijst van door hem uitgezochte Schriftgedeelten. (....) Wanneer wij letten op deze drang om de Bijbel te gebruiken, zouden wij zeggen, dat er nog wel  het een en ander aan ontbroken zal hebben. En dat was ook zo. Reeds in de eerste decenniën van de 19e eeuw  begon het proces, dat zou eindigen met een school zonder de Bijbel. Van Swinderen moest in 1821 getuigen, dat men op vele plaatsen in Groningen van misbruik van de Bijbel was gekomen tot onbruik. En de afdeling Zaandam van het Bijbelgenootschap vroeg in 1819 of er niets gedaan kon worden 'teneinde het gebruik des Bijbels in de lagere school meer algemeen te maken.'  Er waren natuurlijk wel onderwijzers, die godsdienstonderwijs gaven, maar gewoonlijk niet in Calvinistische geest. Het supra-naturalistische zuurdesem werkte ook onder hen. Zij gebruikten dan ook meer de Bijbelse verhalen dan de Bijbel zelf. En de schrijvers van deze vertellingen behoorden tot dezelfde richting als zij. "

Aan de andere kant werd de neutraliteit van de openbare school aangepast aan de plaatselijke omstandigheden. Had een bepaalde plaats een overwegend hervormd karakter, dan droeg de openbare school ter plaatse in de praktijk een hervormd karakter en werd er op school wel gebeden, uit de bijbel gelezen en christelijke liederen gezongen. Hiervan noemen we een drietal voorbeelden in Garderen (Veluwe) , Den Hoorn (Zd.-Holland) en Bunschoten-Spakenburg.

In Garderen veranderde de openbare school in 1923 van openbaar in hervormd. In Den Hoorn werd de openbare school vóór 1922 voornamelijk bevolkt door protestantse en rooms-katholieke kinderen. Na de financiéle gelijkstelling (1920) werd op 1 oktober 1922 de openbare school opgeheven. De katholieke kinderen gingen naar de nieuwe Mariaschool in de Schoolstraat. De protestantse kinderen bleven in het gebouw van de openbare school, dat toen een protestants christelijke school werd. In Bunschoten-Spakenburg hadden de mensen vóór 1879 in de praktijk weinig gemerkt van het steeds neutraler worden van de openbare school of van vermagering van het christelijk gehalte van het onderwijs. De openbare school stond in Bunschoten naast de Hervormde Kerk en werd geleid door verschillende leden van de familie Beukers. Eerst de vader Philippus Jacobus Beukers, daarna door de zoon Jacobus en daarna door de schoonzoon Willem van Bruggen. In de praktijk was de openbare school  niet godsdienstloos. Meester van Bruggen begon de schooltijden met gebed en had elke morgen de Bijbel op de lessenaar, leerde psalmen en schriftgedeelten, hield zelfs de Catechismus in ere. Alleen bij het bezoek van de schoolopziener verstopte hij de bijbel en werd er niet gebeden en gezongen.

Ook kwam er tegenstand tegen de openbare school, als deze toch wat al te protestant gekleurd was. Dat ondervond hoofdonderwijzer Hemke Hemkes (1807-1889). Hemkes werd in 1839 hoofdonderwijzer aan de Openbare school in Voorburg. De plaatselijke pastoor vond dat op Hemkes' school geen bijbelse geschiedenis mocht worden gegeven en verzocht in 1844 het gemeentebestuur in te grijpen. De pastoor beriep zich op de onderwijswet van 1806 en baseerde zijn kritiek op de door Hemkes opgestelde boekenlijst (1842):

"In alle deze boekjes straalt de Protestantsae geest van de maker door, ook vindt men hier en daar uitdrukkingen, zoals in 'De kleine Taalkenner' van Hemkes en in Anslijn, waar hij Isaac of Jacob sprekende opvoert, welke niet juist zijn en strijdig zijn met de geest dezer heilige mannen of die niet goed klinken in het katholieke oor."

Het gemeentebestuur wees het verzoek af.
 
En zo heeft iedere stad en elk dorp in Nederland zijn eigen onderwijsgeschiedenis , een geschiedenis die nauw samenhing met de kerkgeschiedenis ter plaatse.
De tegenstanders begrepen er niets van, dat er een nieuwe school bij moest komen. Waarom konden alle kinderen niet naar de Dorpsschool. Maar zo dachten de ouders niet. Zij wilden, dat hun kinderen met de Bijbel zouden worden opgevoed en dat was op de Openbare School niet aan de orde. Hoewel het Bijzonder onderwijs voor een groot deel door de ouders zelf moest worden bekostigd, moest het wel voldoen aan de wettelijke eisen. In Maassluis werd het bij de opening van de voornoemde school als volgt door de voorzitter gezegd: "Maar waarom nu een kerkelijke school, waarom een christelijke school? Wel, de school is immers de schakel tussen huisgezin en kerk. De school kweekt de liefde aan voor de kerk, en waar we de knak van de doleantie, ons in 1886 toegebracht, te boven zijn, en we op geen manier zeggenschap in de bestaande scholen konden krijgen, wilden we niet langer geduld worden, en hebben we nu onze eigen school. En waarom christelijk onderwijs? Omdat we geen openbaar onderwijs willen, want dit laat de kinderen buiten de beademing van het evangelie."

Ontwikkelingen en invloeden

Elise van Calcar-Schiotling ( 1822 - 1904)

De beginselen van de Duitse pedagoog Friedrich Fröbel m.b.t. het onderwijs op de ‘klein-kinderscholen’ drongen langzamerhand tot ons land door. Het was Elise van Calcar-Schiotling, die hiervoor krachtige propaganda voerde door het geven van cursussen aan onderwijzeressen. Zij verspreidde de ideeën van de Duitse pedagoog Friedrich Fröbel in Nederland. Fröbel had zich gespecialiseerd in de ontwikkeling van peuters en kleuters. Hij pleitte voor vrij spel voor jonge kinderen en het belang van apart lesmateriaal voor deze doelgroep. De fröbelscholen deden hun intrede in Nederland. Ook op de bewaarscholen werd het Fröbelmateriaal geïntroduceerd. Er kwam steeds meer ruimte voor jonge kinderen om spelend te leren, hoewel ze ook nog veel in de schoolbankjes moesten zitten.

De invloed van Herbart

Omstreeks 1860 begon zich van lieverlee een verandering in het schoolleven af te tekenen. De opvattingen van de Filantropijnen hadden niet meer ieders sympathie meer. Zeker niet van degenen, die een meer dogmatisch godsdienstonderwijs op de school voorstonden. Doch ook anderen zochten naar nieuwere oriëntering. Een voorname reden daarvan was de invloed van de pedagogiek van Herbart; diens voorstellingstheorie nam de plaats in van de aloude vermogenstheorie. Van de cultivering der zielsvermogens werd niet veel meer gehoord, wel van het aanbrengen van zuivere voorstellingen en begrippen, splitsing van de moeilijkheden en apperceptie. De methodiek bij Herbarts leer aan te passen, werd de aanhoudende zorg van practici.

Het leerplan was sinds 1857 met verscheidene leervakken uitgebreid, zodat de school, meer dan voorheen, een intellectualistisch ideaal nastreefde.

De godsdienstige en zedelijke opvoeding werd bij de toespitsing van het intellect uit het oog verloren. Het onderwijs werd ‘vermethodiekt’. In de tweede helft van de 19e eeuw is door de Nederlandse schoolmannen met noeste vlijt gewerkt, vooral aan de methodiek van de verschillende vakken. Overtuigd van de juistheid van de denkbeelden van Herbart, meenden zij aan de school geen groter dienst te bewijzen, dan handleidingen en methoden te geven, die de onderwijzer elke stap, die hij te doen had, voorschreven. Ofschoon deze verfijning van de methodiek grote gevaren had – prof. Gunning heeft daar met klem op gewezen en de term ‘vermethodieking’ in zwang gebracht- , toch bracht ze het voordeel mee, dat de onderwijzer de betekenis van de methode leerde inzien en over zijn werk meer ging nadenken.

De reactie daartegen kwam het eerst tot uiting in het Vaktijdschrift voor onderwijzers en later heftiger en feller in de Nieuwe School, twee tijdschriften, die +/- 1900 veel gelezen werden. Vermoedelijk kan de school voor deze ‘vermethodieking’ niet geheel aansprakelijk gesteld worden. Want voor veel ouders is kennis nog steeds macht, d.w.z. dè manier voor hun kinderen ‘om er te komen’. En dus verlangen velen van de school bij voorkeur: goede rapporten, niet blijven zitten en een diploma.

Grote betekenis in deze tijd kregen ook de vakbonden. Naast het N.O.G., opgericht in 1844, kwam in de jaren tussen 1880 en 1890 de Bond van Nederlandse onderwijzers tot grote bloei. Met de Vereniging van Hoofden van Scholen is door deze bonden veel voor het onderwijs gedaan. Ook de rooms-katholieke en de christelijke onderwijzers werden in bonden verenigd.

Naast ’t Nut kwam de Vereniging Volksonderwijs tot grote bloei; zij stelt zich de verdediging van de openbare school ten doel. De schoolstrijd heeft dergelijke verenigingen ook bij het bijzonder onderwijs in het leven geroepen ter propagering van de scholen, waar kerkelijk georiënteerd onderwijs wordt gegeven.

De geschiedenis van kweek- en normaalscholen 

De toestand van het lager onderwijs aan de vooravond van de 19e eeuw was ronduit slecht.

In de wetten van 1801, 1803 en 1806 werd over de opleiding nog geen woord gerept; wie onderwijzer wilde worden, werd in de leer gedaan bij een schoolmeester, leerde daar de handgrepen, die bij het werk te pas kwamen en verwierf zich de kennis, die nodig was voor het examen. Toch leefde toen reeds het denkbeeld, dat wie goed onderwijs wil, in de eerste plaats moet zorgen voor een degelijke opleiding der leerkrachten. De wet van 1857 voorzag voor het eerst in kweek- en normaalscholen. Na 1857 werden er tal van kweekscholen voor onderwijzers gesticht. De Verening tot Nut van ’t Algemeen stichtte in de 19e eeuw in Amsterdam, Groningen en Haarlem kweekscholen voor onderwijzers, die later door Rijk of Gemeente overgenomen werden. In Arnhem kwam in 1860 een kweekschool voor onderwijzeressen. De oudste kweekschool in Nederland was de Haarlemse Kweekschool, die onder leiding stond van de bekende P.J. Prinsen.

In 1846 was in Nijmegen op de Klokkenberg de Christelijke Normaalschool opgericht. Het was één van de vruchten van het Réveil. Mr.J.J.L. van der Brugghen (1804-1863) behoorde tot de belangrijkste initiatiefnemers. Aan deze school werd in 1894 P. Oosterlee als leraar verbonden. In 1906 werd hij directeur van de school en tevens regent van het internaat. De Reveillisten hebben hun stempel op de school op de Klokkenberg gedrukt. Zij verzetten zich tegen het onbegrensde vertrouwen in de menselijke rede in het bijzonder en tegen de Aufklärungsideeën in het algemeen. Zij kwamen op voor een Christendom-van-de-daad en met apostolische ijver zetten zij zich in voor zending, evangelisatie, zondagsscholen, jongelingsverenigingen, Christelijke scholen en voor allerlei filantropische arbeid.

 In 1876 werd te Amsterdam een Gemeentelijke kweekschool voor onderwijzers en onderwijzeressen opgericht (met subsidie van het Rijk), waarvan het directeurschap werd opgedragen aan H. Bouman, hoofdonderwijzer te Beerta. In 1877 verrezen Rijkskweekscholen te Deventer en Middelburg, in 1878 die te Nijmegen. De Rijkskweekschool te Groningen (1861) bloeide al spoedig onder haar eerste directeur, de bekende pedagoog B. Brugsma

Schoolopzieners

Een groot gedeelte van de verbeteringen die in de 2e helft van de 19e eeuw werden ingevoerd, zijn te danken aan de schoolopzieners. Zij bezochten de scholen in hun district en dwongen de onderwijzers de vernieuwingen in de praktijk toe te passen. Zij drongen er bij schoolmeesters op aan nieuwe boeken en onderwijsmethoden te gebruiken. Daarnaast zetten zij de stadsbesturen ertoe aan meer geld voor het onderwijs beschikbaar te stellen. Enkele belankrijke namen: Hendrik Wester, Jonkheer van Swinderen, Berend Brugsma, J.H. Nieuwold. Deze zijn op de vorige pagina beschreven.

Onderwijsverslagen

Op 17 januari 1817 verscheen het eerste onderwijsverslag. Het ging om een grondwettelijke opdracht: het jaarlijks uitbrengen aan de Staten-Generaal van een verslag over de staat van het onderwijs. Toen gebeurde dat nog uit naam van de 'Souvereine Vorst'. Veertoen bladzijden telde het eerste verslag over het jaar 1816. Plaatsen als Brussel en Luik, Doornik en Namen komen er in voor; de zuidelijke Nederlanden behoorden nog tot het koninkrijk der Nederlanden. In de loop der jaren groeide het verslag uit tot jaarlijks honderden pagina's en zelfs meer dan duizend pagina's in het begin van de 20e eeuw. Schoolopzieners en later inspecteurs schetsten graag en uitvoerig hun bevindingen vanuit de alledaagse schoolpraktijk. Tegelijkertijd schuwden velen de organisatorische, financiële en didactische basis van het onderwijs niet.

Met de grotere omvang kwam er in de loop der decennia een almaar gedetailleerdere, steeds verfijndere rapportage. In het onderwijsverslag van 1881-1882 zien we berichten over kweekscholen, over landbouwscholen, zeevaartscholen en polytechnische scholen, over het onderwijs bij de land- en zeemacht, over bewaarscholen, over scholen voor doofstommen en blinden, over onderwijs in gevangenissen. In de verslagen gaat het daarbij niet alleen om de feiten, de gegevens, de cijfers. Het gaat ook om allerlei meningen, beschouwingen, analyses. Van rekenen tot zangonderwijs, van aanstellingen tot pensionering, van straffen tot gedogen, van didactiek tot exameneisen, van schoolstrijd tot Pacificatie. De bevlogenheid voor het onderwijs spat soms van de pagina's af. De verslagen zijn van onschatbare waarde voor de onderwijsgeschiedenis. De jaarlijkse uitgave zat altijd boven op de actualiteit. De omvang, volledigheid en detaillering van 'De Staat van het Onderwijs'  bleken dan ook regelmatig de basis voor aanpassingen, bijstellingen in het onderwijs.

Van 1 april t/m september 2017 zal in het Onderwijsmuseum in Dordrecht de tentoonstelling   "Dit heilzaam toezigt - 200 jaar onderwijsverslagen" te bezichtigen zijn.        

Voorspel tot de Lager-onderwijswet van 1878.

Tussen 1878 en 1917 was het vraagstuk van de financiering van het bijzonder onderwijs, dè politiek tegenstelling in Nederland. Deze scheidslijn, "de antithese" scheidde confessionele partijen als de Katholieke Algemene Bond en de protestantse Anti-Revolutionaire Partij en Christelijk-Historische Unie enerzijds en seculiere partijen (met name liberalen) anderzijds.

De Lager-onderwijswet van 1878 van minister J.Kappeyne van de Coppello                   

Op 2 maart 1878 werd een nieuw ontwerp Lager-onderwijswet ingediend. Artikel 3 daarvan gaf een definitie van openbare en bijzondere lagere scholen: “Lagere scholen, waarvan de kosten geheel of gedeeltelijk door de gemeenten of het Rijk worden gedragen, zijn openbare, alle andere bijzondere scholen.” Het bijzonder onderwijs werd door de overheid bewaakt, niet verzorgd.

Voor het lager onderwijs als zodanig had de wet vele goede kanten. De belangrijkste wijziging in het verplichte vakkenpakket van de lagere school was wel, dat nuttige handwerken voor meisjes er in opgenomen werd. De onderwijzeres kreeg daarmee een vaste plaats in het lager onderwijs; daarnaast gaf de wet er de voorkeur aan, dat onderwijzeressen aan de laagste klassen les gaven. Het hoofd der school kreeg tot taak een leerplan op te stellen, de verdeling in klassen te maken, een regeling te treffen voor schooltijden en vakanties en aan te geven welke boeken voor de verschillende klassen gebruikt zouden worden. De minimum-salarissen werden aanzienlijk opgetrokken. Kwekelingen konden niet langer als leerkracht functioneren, hulponderwijzers waren voortaan gewoon onderwijzers. De klassen werden kleiner. Eénmansscholen konden nog slechts bestaan, als er ten hoogste 30 leerlingen kwamen. Elke 40 leerlingen meer vereiste de aanstelling van een extra onderwijzer.  

Ondanks de postieve kanten van deze wet, hield het wetsvoorstel geen rekening  met de ernstige bezwaren van de voorstanders van de bijzondere school . De wet werd dan ook zeer hevig bekritiseerd. Er ontstond een grote protestbeweging, georganiseerd door de Anti-Revolutionairen en Rooms-Katholieken. Er werden 450.000 handtekeningen aan Koning Willem III op paleis ‘t Loo met het verzoek aan de vorst om het aangenomen wetsontwerp niet te bekrachtigen met zijn handtekening. Dit verzoek werd gedaan d.m.v. een 'smeekschrift', dat door dr. A. Kuyper was opgesteld:  

      "Sire, zal dat goed voor Uw land en volk, zal dat goed  voor de nationale toekomst, of

    (waarom het niet uitgesproken?) zal dat goed voor God zijn, indien men in Nederland

     op den klassieken bodem der gewetyensvrijheid, voortaan, de rijkeren uitgezonderd,

                geen school met den Bijbel meer voor zijn kinderen zal kunnen hebben?"

Twee weken later zette de koning toch zijn handtekening onder de wet, die 1 november 1880 in werking trad. De organisatiegroep van dit volkspetitionement van protestantse zijde bleef voortbestaan als de vereniging “De Unie, een school met de Bijbel”, welke vereniging in 1968 werd omgedoopt tot de Stichting “School en Evangelie"

Wie oog heeft voor details herkent in de opeenvolgende namen, waaronder de Unie door het leven ging, de geest van de tijd.

1879: Unie School met den Bijbel  (1879 - 1968)

1968: Unie voor School en Evangelie (Gilhuis, Verkuyl en mevr. Ridderbos)

1992: Unie voor Christelijk Onderwijs ( K. de Jong Ozn., J. Hoeksema) 

Sinds 1992 gaat de Unie uit van een meer open karakter van de scholen. Elke school moet op een schooleigen manier omgaan met de bijbel en....de christelijke traditie.

Vergelijk in verband met bovenstaande de volgende uitspraken:

1980: door drs.T.M. Gilhuis: 'De school is het voorportaal van de kerk'

1998: door drs.J. Hoeksema: 'We moeten geen kerkje spelen in de school.'

 

Ondanks het feit, dat de voorstanders van bijzonder onderwijs hun zin niet hadden gekregen, bracht de wet wel van 1878 de volgende positieve aanpassingen:

1.       de opleiding van onderwijzers werd bij wet geregeld; het aantal kweekscholen werd   uitgebreid; overal werden normaalscholen opgericht, waar in de avonduren het onderwijs door hoofden van scholen werd gegeven;

2.       scholen voor doofstommen, blinden, spraakgebrekkigen en idioten werden aan de bepalingen van het gewone onderwijs onttrokken, waardoor het onderwijs aan die scholen zich vrijer kon ontwikkelen.

Nieuwe strijders voor het bijzonder onderwijs traden naar voren. Het waren dr. Abraham Kuyper, jhr.mr.A.F.de Savornin Lohman en de priester-redenaar dr.Herman Schaepma              

De Spelling-De Vries en Te Winkel (1883)   

In 1851 werd op het Taal- en Letterkundig Congres in Brussel, waarbij zowel Nederland als Vlaanderen vertegenwoordigd waren, besloten tot een groots opgezet project: het samenstellen van het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT). Dit gezamenlijk project wierp echter wel een probleem op: in welke spelling moest het woordenboek geschreven worden?  Op dat moment genoten er drie spellingsystemen enige populariteit: de officiële commissiespelling in België, de Spelling-Siegenbeek in Nederland en allerlei varianten gebaseerd op het systeem van Bilderdijk. Er werd dan ook besloten om een speciale woordenboekspelling op te stellen. Deze spelling werd opgesteld door de taalgeleerden M. de Vries en L.A. te Winkel . In 1863 publiceerde Te Winkel de resultaten in 'De grondbeginselen der Nederlandsche spelling. Ontwerp  der spelling voor het aanstaande Nederlandsch Woordenboek.'

De spelling van De Vries en Te Winkel  verenigde elementen van de drie op dat moment gangbare spellingsystemen. In België werd de Spelling De Vries en Te Winkel al op 21 november 1864 per KB ingevoerd voor overheid en onderwijs. Voor gewone taalgebruikers verscheen in 1866 van de hand van De Vries en Te Winkel de voorloper van het huidige Groene Boekje, de 'Woordenlijst voor de spelling der Nederlandsche taal.'

In Nederland  verliep de acceptatie van de Spelling-De Vries en Te Winkel langzamer. In 1870 verviel de verplichting om op scholen de spelling-Siegenbeek te onderwijzen, wat de weg vrijmaakte voor de spelling-De Vries en Te Winkel. De overheid volgde pas jaren later: in december 1882 besloot de regering om de spelling vanaf 1 januari 1883 in haar stukken te gebruiken. Zo werd de nieuwe spelling in 1883 voor overheid en onderwijs de officiële spelling, al werd de spelling-Siegenbeek in sommige kringen nog lang gebruikt.

De Lager-onderwijswet van 1889                 

Door samenwerking van katholieken en protestanten kwam er in 1888 een rechts kabinet aan het bewind: het kabinet Mackay. Dit kabinet had één doel: herziening van de onderwijswet van Kappeyne. En dat gebeurde in 1889. De onderwijswet werd gewijzigd, waardoor aan de bijzondere school enige subsidie werd toegekend: het Rijk zou een gedeelte van de onderwijzerssalarissen gaan betalen. Daarmee was de eerste stap gezet op de weg naar de financiële gelijkstelling. In deze wet werd verder nog de heffing van schoolgeld voor het openbaar onderwijs verplicht voorgeschreven, waardoor de vrijblijvendheid uit de wet van 1857 verdween. Wel dient nog vermeld te worden, dat aan het verplichte vakkenpakket tekenen en gymnastiek werden toegevoegd. 

Nu eenmaal een bres geschoten was, gingen de schoolstrijders met verdubbelde moed verder om de hele vesting in te nemen. In 1895 verscheen een rapport van “de Unie, een School met den Bijbel”, dat onder de leuze ‘de vrije school voor heel de natie’ de bijzondere school tot regel, de openbare tot uitzondering wilde maken.

En zo konden de strijders voor het bijzonder onderwijs de 19e eeuw uitluiden met het vaste vertrouwen, dat hun wens tot volledige financiële gelijkstelling niet lang meer op zich zou laten wachten.

De ontwikkeling van het Rooms-Katholieke onderwijs

Joannes Zwijsen (1794 - 1877) wordt in 1794 geboren in Kerkdriel. In 1832 wordt hij pastoor van de parochie 't Heike in Tilburg. Daar sticht hij twee congregaties: in 1832 een zuster- en in 1844 een fratercongregatie. Deze laatste wordt aangeduid met 'de fraters van Tilburg'.

In 1846 richt hij een weeshuis voor jongens op. Tegelijkertijd neemt hij het initiatief voor de oprichting van de 'Drukkerij van het R.K. Jongensweeshuis'.

Deze drukkerij en later uitgeverij zal de voorloper worden van uitgeverij Zwijsen. In 1853 wordt Zwijsen benoemd tot aartsbisschop van de Nederlandse kerkprovincie. Hij overlijdt in 1877. Zwijsen is van grote betekenis geweest voor de emancipatie van de katholieken in Nederland.

De geschiedenis van de drukkerij van het R.K. Jongensweeshuis

In 1845 nemen de fraters de zorg voor de weesjongens over. Om hun de gelegenheid te geven een vak te leren en om te voorzien in hun levensonderhoud en dat van de fraters, begint Zwijsen met een drukkerij. In eerste instantie moet de drukkerij drukwerk verzorgen voor religieuzen: constituties, meditaties, gebedenboeken en geestelijke lectuur.

Zwijsen voorziet bovendien, dat de vrijheid van onderwijs nog slechts een kwestie is van tijd. Als die vrijheid wettelijk wordt geregeld, zal er op katholieke scholen een grote vraag ontstaan naar goedkope, katholieke schoolboeken.

Bij de trappisten te Westmalle weet ZWijsen een tweedehands druk- en bindapparaat op de kop te tikkern. Met de aankomst van deze machines op 18 oktober 1846 is de ‘Drukkerij van het Rooms Katholiek Jongensweeshuis te Tilburg’ een feit.

Door twee drukkers van buiten aan te trekken, wordt geprobeerd de fraters enige vakbekwaamheid bij te brengen. Maar vanaf 1852 hebben de fraters die externe assistentie niet langer meer nodig, omdat er iemand met verstand van zaken als frater intreedt. Het is J. Weerlink uit Enschede, ex-redacteur van de Almelose Courant. Hij krijgt als frater Hilarius de leiding over de drukkerij. In 1850 wordt ‘de eerste steen’ gelegd van het educatieve fonds van de drukkerij: een serie van vier boekjes met de titel ‘Leesboekjes voor eerstbeginnende lezers’.  Deze boekjes worden nader besproken op de pagina ‘ontwikkeling van het leesonderwijs’

In die tijd gaat de drukkerij nog primitief te werk. Alles is nog handwerk. Eerst wordt de tekst letter voor letter met de hand gezet. Daarna worden de vellen een voor een ingevocht, op de pers gelegd en met de hand doorgedraaid. De bedrukte vellen worden vervolgens op lange latten en aan lijnen te drogen gehangen. Als de drukvellen droog zijn, volgt het vouwen, snijden en naaien.

Omdat de talloze uitgaven en herdrukken voor scholen en kloosters een meer efficiënte werkwijze noodzakelijk. Daarom wordt in 1870 de ‘grote pers’ verkocht en vervangen door een ‘snelpers’.  In 1883 wordt een stoommachine in gebruik genomen.

Mgr. Zwijsen had voorzien dat de behoefte aan katholieke schoolboeken zou toenemen als de vrijheid van onderwijs wettelijk geregeld zou worden. Hij krijgt gelijk. Het katholiek onderwijs wil zich duidelijk onderscheiden van het openbaar onderwijs en het protestants onderwijs. In de school-boekjes dient de katholieke geest ook tot uiting te komen.

Men kan zeggen, dat de Drukkerij van het R.K. Jongensweeshuis in de negentiende eeuw meer het karakter heeft van een drukkerij dan van een uitgeverij. Dit komt ook tot uitdrukking in de naamgeving. De drukkerij is echter méér dan een huisdrukkerij. Het uitgeven van onderwijsmethoden is beslist geen bijzaak. Vanaf 1880 heeft de drukkerij voor alle vakken in het lager en het vervolgonderwijs wel één of meer uitgaven in het fonds, veelal samengesteld door frater-onderwijzers uit de congregatie. De fraters staan op de bres voor goed katholiek onderwij

De 'Congregatie  van de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria' ( de broeders van Maastricht)

In 1840 stichtte kapelaan Louis Rutten in Maastricht de "Congregatie van de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria". De congregatie is in Nederland vooral bekend, omdat ze vanaf het midden van de 19e eeuw zorg en ontwikkeling gaf aan rooms-katholiek lager onderwijs voor jongens in de nieuwe volkswijken vann grote steden, zoals Maastricht, Amsterdam, Den Haag, Schiedam, Nijmegen, Veghel en Helmond. In 1843 werd in 's-Hertogenbosch een klooster gesticht. Vanaf het begin van de oprichting hielden individuele leden van de congregatie zich al vroeg bezig met de opleiding tot onderwijzer, vaak als aanvullende taak binnen de lagere scholen. Pas in 1910/1911 is sprake van een door de broeders in Den Haag gestichte normaalschool, die in 1931 zou uitgroeien tot de Bisschoppelijke Kweekschool voor onder-wijzers. Ook in Maastricht hadden de broeders al vroeg een opleiding tot onderwijzer om daarmee te kunnen voorzien in de opleiding van de eigen leden van de congregatie en de bediening van de vele lagere scholen in Nederland.  In de bloeiperiode van 1900 - 1960 waren de broeders van Maastricht bekend om de hoge kwaliteit van hun onderwijs en de didaktisch verantwoorde schoolboekjes, die zij schreven. Dit waren vooral methoden voor aanvankelijk leesonderwijs, die bij uitgeverij Malmberg werden uitgegeven. Ondanks het feit, dat zij wel met de Tilburgse fraters samenwerkten, waren het in feite concurrenten van elkaar.

Op de pagina's over de ontwikkeling van de lesmethoden worden tal van uitgaven behandeld, die door de fraters van Tilburg en 's-Hertogenbosch zijn ontwikkeld en uitgegeven.