Klik hier voor een inleidend filmpje

Onderwijs in oorlogstijd (1940 - 1945)

In dit hoofdstuk behandelen we het onderwijs in oorlogstijd. Het onderwijs ging gewoon door met de nodige beperkingen, die ons door de bezetter werden opgelegd.

Over het schoolleven tijdens de bezettingstijd citeer ik een gedeelte uit het boekje "Honderd jaar 't Spreeuwenest" van de hand van de heer J. Klootwijk. Ik ga er van uit, dat zijn beschrijving een beeld geeft van vele scholen in bezettingstijd.


"Ons land wordt van 1940 - 1945 meegesleurd in de wereldoorlog. Een totale oorlog met een totale ontwrichting van het leven van militairen en burgers. Ook het leven van de bij de school betrokkenen: bestuur, personeel en leerlingen, ontkomt hier niet aan. Kort na de overgave van ons leger in 't gebouwtje van de Chr. Lagere School in Rijsoord op 14 mei 1940 schijnt het leven z'n gewone gang te hernemen. De dagen rond Pinksteren vol van oorlogsgeweld zijn voorbij. De scholen hervatten hun werk; onze school op maandag 27 mei. De korte pinkstervakantie wordt gevolgd door een schoolbezetting van enkele dagen door een Duitse fiets-compagnie op weg naar 't front in 't zuiden. De veldkeuken staat naast de hoofdingang. Er wordt gekookt. Kinderen verdringen zich om de koks.  In de straat voetballen jongens met soldaten. Meisjes tellen de geparkeerde fietsen.... Enkele maanden later neemt de Duitse bezetter de eerste maatregelen, die het Nederlandse onderwijs betreffen. 

Maatregelen

Er komt een lijst van verboden boeken en liederen. De zwarte lijst met zo'n 150 boektitels vermeldt voor het lager onderwijs o.a. "Er op of eronder" van W.G. van der Hulst - hèt (voor)leesboek in die dagen. Het verbod wordt op grote schaal ontdoken. In oktober van het het eerste oorlogsjaar moeten de schoolbesturen een opgave doen "van personeelsleden van geheel of gedeeltelijk Joodschen bloede". Bovendien dienen de leerkrachten in de zgn. Ariërverklaring te bevestigen dat zijzelf, noch hun echtgenote, noch hun verloofde, noch hun ouders tot de Joodse gemeenschap behoord hebben. Kort daarna wordt verlangd dat iedere leerkracht schriftelijk verklaart "dat hij/zij de verordeningen van de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied naar eer en geweten zal nakomen en zich zal onthouden van elke handeling gericht tegen het Duitsche Rijk of de Duitsche weermacht." De reactie van de bestuurs- en personeelsleden onzer school op al die geëiste verklaringen is uit de archieven niet vast te stellen. Slechts eenmaal wordt duidelijk dat men zich tegen de bezettende macht keert. In de zomer van '41 ontvangen de scholen de opdracht om m.i.v. 1 september van dat jaar "alle leerlingen van Joodschen bloede of die als zoodanig beschouwd kunnen worden van de scholen te verwijderen." Een namenlijst met bedoelde leerlingen dient op korte termijn te worden ingediend. Ook een eventueel negatief bericht - geen Joodsche kinderen dus - moet worden verstuurd. Gesteund door het overkoepelende landelijke bestuursorgaan van het Chr. Volksonderwijs besluit ons bestuur het departement te berichten dat het om des beginsels wil gegrond op Gods woord, daaraan niet kan voldoen". Misschien de moeilijkste brief die de secretaris D.L. Oosterlee ooit geschreven heeft.  

 
De nadruk, die de bezetter legt op de lichamelijke oefening brengt onze school er toe het vak: "de vrije en orde oefening" in eigen lokaliteiten te geven. De kinderen gaan m.i.v. 1 april 1943 langer naar school. Het achtste leerjaar wordt verplicht. De klassen 7-8 worden          ondergebracht in een nieuw kortstondig schooltype: het V.G.L.O. In 1944 zijn op het V.G.L.O. 35 leerlingen ingeschreven. Angst weerhoudt de ouders ervan hun kinderen naar het vervolgonderwijs in de omliggende gemeenten te sturen. In de klassen 7 en 8 is het onderwijs in het vak Duits verplicht. Een groot tekort aan leermiddelen ontstaat. Schriften en pennen raken op, ondanks de hamsterwoede van menig schoolhoofd in de jaren 40 en 41. Leien doen opnieuw hun intrede. Voor de kinderen een grappige ervaring. Veel plezier geeft ook de oefening bij het luchtalarm: onder de banken!!!  Als de school in 1943 enkele weken wegens difterie gesloten wordt, betekent dat een extra vakantie. De vlag op school wordt niet meer gebruikt. Verboden. Zelfs de "rood-wit-blauwe" fietsvlaggetjes vallen onder een later aangekondigd verbod. Het koninginnefeest vervalt. De portretten van de koninklijke familie verdwijnen. Meisjes dragen geen oranje strikken meer, jongens geen insignes. Zelfs de padvindersriem is uit den boze. Jongens "handelen" in munitie en granaatscherven. Naarmate de oorlog vordert, komen de kinderen slechter gevoed en veelal slechter gekleed op school. In de grote steden is dit erger dan in de dorpen op het platteland. In het laatste oorlogsjaar worden de problemen voor de scholen in het nog niet bevrijde Nederland boven de rivieren, bijna onoplosbaar. Er is weinig of geen brandstof. Dat betekent, bij koud weer, geen school. Korte tijd zijn enkele klassen te gast in de R.K. school - halve dagen onderwijs.  Bij goedwillende ouders wordt door goedwillende leerkrachten huisonderwijs gegeven. Maar in de hongerwinter is de chaos compleet. De scholen liggen stil. Ieder strijdt voor lijfsbehoud. Onze school wordt voor de tweede keer gevorderd door de Duitse weermacht. De verboden radiotoestellen - verborgen op de schoolzolder - worden hals over kop bij de eigenaars teruggebracht. Duitse militairen en Russische krijgsgevangenen bevolken de school. Wanneer zij de dorpels en de wandplaten als brandstof gaan gebruiken, krijgt het personeel toestemming één dag de schoolmaterialen te verhuizen. De kerk wordt opslag-plaats. De ordening duurt ruim een week. Schildwachten bewaken het schoolgebouw. De school wordt uitgewoond. "   

Door inkwartiering van soldaten in het schoolgebouw, moest er naar andere ruimten gezocht worden om toch onderwijs te kunnen geven. In de gemeente Durgerdam vond men een oplossing door de Nederlands hervormde kerk hiervoor beschikbaar te stellen. In Julianadorp werd voor geëvacueerde kinderen uit Den Helder, bij gebrek aan goede ruimte, onderwijs in de open lucht gegeven. Aan het eind van de oorlog werden vele schoolgebouwen gevorderd door de Duitsers. Als er geen andere ruimte beschikbaar was in het dorp, kwam het voor, dat leerkrachten kinderen les gaven in hun eigen huizen. De meeste christelijke scholen weigeren aan de Duitsers opgave te verstrekken van het aantal Joodse kinderen op school. Ook zijn veel onderwijzers in het verzet gegaan en daardoor niet op school konden verschijnen. Velen van hen hebben hun leven gegeven voor onze vrijheid, waaronder Frans Tromp uit Hoevelaken, die op 24 september 1942 werd gefusilleerd. Er is zelfs een verhaal , dat een leerling een rol speelde in het verzet.  W. Vogelaar, leerling van de Hervormde School te Voorthuizen werd onbewust koerier van verzetsman meester Gerritsen. Enkele keren per week werd Vogelaar naar de meldingspost: Puurveense molen gestuurd om daar een brief te bezorgen en een andere brief retour te nemen. Dit zullen waarschijnlijk berichten uit Engeland geweest zijn.  

In mei 1940 schreef burgemeester A. Bakker van Oldebroek in opdracht van de Duitse bezetter een brief aan het schoolbestuur. Daarin stond dat er prijs op werd gesteld dat het onderwijs zijn gewone voortgang had. Uit de gewijzigde omstandigheden vloeide voort dat iedere onderwijzer zich diende te onthouden van alles waarin een tendens lag van vijandigheid tegen het Duitse Rijk, Duitse instellingen of personen. Het gemeentebestuur verleende bij besluit van 29 mei 1942 ook medewerking voor de aanschaf van 75 Duitse leerboeken met 3 handleidingen met het oog op het verplicht gestelde onderwijs in de Duitse taal. We mogen ervan uitgaan dat , evenals op veel andere scholen, er weinig onderwijs in dit vak is gegeven. Het departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen schreef aan de scholen: "Om een besparing te krijgen op het gebruik van brandstoffen moet de herfstvakantie niet in de maanden september of oktober worden gehouden maar in de eerste dagen van november..."  Maatregelen om voldoende brandstof voor de gehele winter te hebben, waren volgens het Departement van Onderwijs: niet stoken voor 1 november; twee scholen van één gebouw gebruik te laten maken; enkele dagen per week geen onderwijs te geven (bv. zaterdag en maandag); de kerstvakantie in ieder geval te verlengen tot twee weken; de schooldag te stellen van 9.00 uur tot 13.00 uur.  In de oorlog, maar ook nog vlak na de oorlog werd er op veel scholen weer met lei en griffel geschreven vanwege gebrek aan papier.
In Ermelo lezen we in de notulen van het bestuur van de Vereniging voor Scholen met de Bijbel het volgende:

a. De bezettende macht laat een lijst van verboden schoolboeken verschijnen. Deze maatregel wordt in zoverre verzacht, dat men de boeken toch zal kunnen gebruiken, als men bepaalde passages in de boeken vervangt door vervangingsblaadjes, die de "overheid" zal verstrekken.

b. In 1941 is de jaarlijkse Uniecollecte niet gehouden. De bezettende macht had deze verboden.

c. Ingekomen: een schrijven van het departement om opgave te doen van Joodse kinderen, die onze scholen bezoeken.  Niet verstrekt.

d. Voorts is bij de hoofden van scholen een stuk van de heer burgemeester binnengekomen, dat kinderen van Joodsen bloede als leerlingen moesten worden geweerd. Niet aan voldaan, hoewel op beide scholen Joodse kinderen aanwezig zijn.

Ook in Ermelo werden de lessen aan de lagere school verscheidene malen onderbroken, hetzij door kolentekort, hetzij door legering van Duitse militairen. Er wordt dan les gegeven op 6 verschillende adressen bij ouders thuis.
In Vlaardingen werden veel schoolgebouwen geheel of gedeeltelijk door de bezetter gevorderd. Om toch onderwijs te kunnen blijven geven, werden wisselroosters opgesteld zodat de leerlingen van de ene school 's morgens en van de andere school 's middags in hetzelfde gebouw les konden krijgen.


De Papieren Meester

De Dr. J. Woltjerschool te Rotterdam ging op 15 december 1945 dicht vanwege gebrek aan brandstof voor de verwarming. Omdat de kinderen zo'n 6 weken thuis zaten, ontvingen de kinderen en hun ouders een noodschoolkrant met de titel "De Papieren Meester". In het voorwoord van deze oorlogsschoolkrant sprak de bovenmeester de ouders toe en daarna schreven alle meesters en juffen  voor de kinderen van hun klas een hoofdstuk, waarin zij de kinderen een hart onder de riem staken en waarin iedere leerkracht zijn/haar kinderen het nodige huiswerk opgaf voor Rekenen, Taal, Spelling, Aardrijkskunde, Geschiedenis, Bijbelse Geschiedenis en Tekenen. Ook werden er knutselopdrachten gegeven. Op 1 februari 1945 werden de kinderen weer op school verwacht.


Vernielingen aan schoolgebouwen door Duitse soldaten.

Op veel scholen trof het personeel na inkwartiering van Duitse soldaten een puinhoop aan. Veel vernielingen en vermissing van leermiddelen. Meestal moest er een grondige schoon-maakbeurt en reparatie plaatsvinden, voordat de kinderen weer in het gebouw konden. In Nunspeet verzamelden in 1945 de Duitsers, opgejaagd door de Geallieerden, munitie in de Gereformeerde school aan de Stationslaan en brachten die tot ontploffing. De school werd geheel verwoest, zodat er in 1950 een nieuw gebouw werd geopend, de Immanuëlschool.  Ook in de Hervormde school in Nunspeet laten de Duitse soldaten in 1944  een onbeschrijfelijke toestand achter. Op tal van muren in de lokalen hadden de soldaten met houtskool tekeningen gemaakt, die oorlogssituaties voorstelden. (zie hieronder)

Joodse scholen

Op 1 september 1941 is de bepaling van kracht dat joodse kinderen niet langer meer openbare en bijzonder scholen mogen bezoeken en dat zij naar aparte scholen met uitsluitend joodse kinderen moeten.  Nederlandse kinderen die niet Joods waren, zagen hun Joodse vriendjes en vriendinnetjes ineens niet meer in de klas zitten. Voor Joodse leer-krachten geldt eveneens dat zij alleen nog maar aangesteld mogen worden op ‘joodse’ scholen. 

In Den Haag moesten Joodse kinderen naar de schoolgebouwen aan de Bezemstraat of de Duinstraat in Scheveningen. Voor de joodse kinderen die al op deze scholen zaten, was dit minder erg. Maar andere kinderen moesten van hun eigen school af. Het was voor sommige kinderen moeilijk de school te bereiken. Joodse kinderen mochten namelijk ook de tram niet meer gebruiken. Zij moesten vanuit heel Den Haag en vanuit Rijswijk fietsen of lopen naar hun school. In 1942 moesten alle joden ook hun fietsen inleveren. De kinderen konden daarna alleen nog maar lopend of op de step naar school.

De joodse kinderen zagen ook hun klassen elke week kleiner worden, omdat er steeds meer klasgenoten thuis werden opgehaald door de Duitse bezetters. Die kinderen werden via kamp Westerbork in Drenthe naar de vernietigingskampen in Polen afgevoerd. Hieronder ziet u een foto van een klas van de Amsterdamse Herman Elteschool met hoofdonderwijzer E. Stibbe.  De meeste van deze kinderen zijn niet lang daarna weggevoerd en in de kampen overleden.

                                          Meester Elias Stibbe met zijn 'sterrenkinderen"

Eind april 1942 moeten alle joden vanaf zes jaar een jodenster dragen. De ster moet zichtbaar op de kleding zijn genaaid. Je moet de sterren zelf kopen: ze kosten vier cent per stuk én voor vier sterren moest je ook een distributiebon inleveren.

Het is niet zo dat alle joden aan het begin van de oorlog direct een jodenster moesten gaan dragen. Pas eind april 1942 moeten alle joden van zes jaar en ouder een gele jodenster gaan dragen.

In de loop van de bezetting krijgen joden steeds minder vrijheid. Ze mogen niet meer in de tram, niet meer in zwembaden en parken en Artis is bijvoorbeeld ook verboden voor joden. In hun persoonbewijzen krijgen joden een J. De ster moet zichtbaar op de kleding genaaid worden zodat je hem er niet zomaar af kunt halen.

Zo zijn de joden heel gemakkelijk te herkennen. Er zijn zelfs poppen gemaakt met een jodenster. 


Anne Frank

Annes eerste jaren.

Anne Frank wordt op 12 juni 1929 geboren in de Duitse stad Frankfurt am Main. Annes zus Margot is ruim drie jaar ouder. Het gaat slecht in Duitsland: er is weinig werk en veel armoede. Tegelijkertijd krijgt Adolf Hitler met zijn partij steeds meer aanhangers. Hitler haat de Joden en geeft hen de schuld van de problemen in het land. Hij speelt in op de antisemitische sentimenten die heersen in Duitsland. Door die Jodenhaat en de slechte economische situatie besluiten Annes ouders, Otto en Edith Frank naar Amsterdam te verhuizen. Otto begint daar een bedrijf dat handelt in pectine, een geleermiddel voor de jambereiding.

Nazi-Duitsland valt Nederland binnen

Anne voelt zich snel thuis in Nederland. Ze leert de taal, vindt vriendinnetjes en gaat naar een Nederlandse school in de buurt. Haar vader werkt hard aan zijn bedrijf, maar het valt niet mee om een bestaan op te bouwen. Otto probeert een zaak op te zetten in Engeland, maar dat mislukt. Uiteindelijk vindt hij een oplossing door naast pectine ook kruiden en specerijen te gaan verkopen. Op 1 september 1939, Anne is dan 10 jaar oud, valt nazi-Duitsland Polen binnen: de Tweede Wereldoorlog is begonnen. Niet lang daarna, op 10 mei 1940, vallen de nazi’s ook Nederland binnen. Vijf dagen later geeft het Nederlandse leger zich over. Langzaam maar zeker voeren de bezetters steeds meer wetten en verordeningen in die het leven van Joden moeilijker maken. Onder andere parken, bioscopen en winkels worden verboden terrein voor Joden. Door de regels mag Anne op steeds minder plaatsen komen. Haar vader raakt zijn bedrijf kwijt, omdat Joden geen eigen bedrijf meer mogen hebben. Alle Joodse kinderen, dus ook Anne, moeten naar een aparte, Joodse school.

Anne moet onderduiken in het Achterhuis

Zo gaan de nazi’s telkens een stapje verder. Joden moeten een Jodenster dragen en er gaan geruchten dat alle Joden weg moeten uit Nederland. Als Margot op 5 juli 1942 een oproep krijgt om zich te melden voor werk in nazi-Duitsland, wantrouwen haar ouders dat. Zij geloven niet dat het om werk gaat en besluiten om de volgende dag onder te duiken. Zij gaan zich verbergen om aan de vervolging te ontkomen.In het achterhuis van zijn bedrijf aan de Prinsengracht 263 richt Annes vader vanaf het voorjaar van 1942 een schuilplaats in. Hij krijgt hulp van zijn oude collega’s. Niet veel later komen er nog vier onderduikers bij in het Achterhuis. Het is erg krap, Anne moet zachtjes doen en is vaak bang.


Anne houdt haar dagboek bij.

Voor haar dertiende verjaardag, ze is dan nog niet ondergedoken, krijgt Anne een dagboek cadeau. In de twee jaar dat ze onderduikt, schrijft Anne over gebeurtenissen in het Achterhuis, maar ook wat ze voelt en denkt. Daarnaast schrijft ze korte verhalen, begint ze aan een roman en schrijft ze in haar Mooie-Zinnenboek passages over uit boeken die zij leest. Zo helpt het schrijven haar de dagen door. Als de minister van onderwijs van de Nederlandse regering vanuit Engeland via Radio Oranje oproept om oorlogsdagboeken- en documenten te bewaren, brengt dat Anne juist op het idee om haar losse dagboeken te bewerken tot één lopend verhaal, met als titel Het Achterhuis.

De schuilplaats wordt ontdekt.

Anne begint met het herschrijven van haar dagboeken, maar nog voor ze klaar is, wordt ze samen met de andere onderduikers op 4 augustus 1944 door politieagenten ontdekt en opgepakt. De politie arresteert ook twee helpers. Tot op de dag van vandaag staat niet vast wat de aanleiding was voor de politie-inval. Ondanks de inval blijft een deel van Annes geschriften bewaard: twee andere helpers redden de papieren voordat het Achterhuis in opdracht van de nazi’s wordt leeggehaald. 


Anne wordt gedeporteerd naar Auschwitz.

Via het bureau van de Sicherheitsdienst (de Duitse veiligheidspolitie), een gevangenis in Amsterdam en het doorgangskamp Westerbork gaan de onderduikers op transport naar concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau. De treinreis duurt drie dagen, waarin Anne met ruim duizend anderen dicht op elkaar gepakt zit in veewagons. Er is weinig voedsel en water en slechts een tonnetje als toilet. Bij aankomst in Auschwitz keuren nazi-artsen wie wel en wie niet zware dwangarbeid kan verrichten. Ongeveer 350 mensen uit Annes transport worden direct daarna vermoord in de gaskamers. Anne, Margot en hun moeder worden naar het werkkamp voor vrouwen gestuurd. Otto komt in een mannenkamp.


Anne sterft van uitputting in Bergen-Belsen.

Begin november 1944 moet Anne opnieuw op transport. Ze wordt met Margot naar concentratiekamp Bergen-Belsen gedeporteerd. Haar ouders blijven achter in Auschwitz. Ook in Bergen-Belsen zijn de omstandigheden erbarmelijk: er is bijna geen eten, het is koud, nat en er heersen besmettelijke ziektes. Ze krijgen allebei vlektyfus. In februari 1945 overlijdt eerst Margot en kort daarna Anne aan de gevolgen van die ziekte. Van alle onderduikers in het Achterhuis overleeft alleen Annes vader Otto de oorlog. Hij wordt uit Auschwitz bevrijd door de Russen en hoort tijdens zijn lange terugreis naar Nederland dat zijn vrouw Edith is overleden. In Nederland hoort hij ook dat Anne en Margot niet meer leven.